Bestaat niet

Zwarte Piet moet blijven! Met grote letters en dikke uitroeptekens verschijnt het op mijn Facebookpagina. Mensen die ik ken hebben een petitie getekend die er voor zou moeten zorgen dat alles blijft zoals het is. Nu zou ik dat soms zelf ook wel willen maar op heel andere vlakken.

Stel je voor dat die lieve Dien er nog zou zijn en we samen slap van het lachen tegen elkaar aan konden hangen op de bank. Yvonne die ik nog steeds zou kunnen bellen, de dichter nog te omhelzen, het kind van een liefste niet gekwetst voor het leven, geen nare operaties waar je eindeloos door uit de running bent.

Door alle persoonlijke beslommeringen is de discussie rond al dan niet Zwarte Piet een beetje aan me voorbij gegaan. Wel waargenomen en vaak het hoofd in de handen gelegd en ach, ach gemompeld maar altijd te veel in beslag genomen door mijn echte leven.

Nu schaam ik me daar een beetje voor, ik die altijd op de bariccades springt als het gaat om het neerzetten van stereotype heb de hele Piet discussie gemist. Nu, in volle besef, zie ik die verontwaardigde zure keiboze mensen die moord en brand schreeuwen want wie aan Piet komt, komt aan hun wezen.

Lieve mensen ik zal het dan maar verklappen: Zwarte Piet bestaat niet!


Suskewiet

De hond is broodmager en waar eens zijn staart zat rest een zielig stompje dat hij bangelijk tussen zijn achterpoten verstopt. Aarzelend komt hij naderbij. Ik fluister hem toe dat ik een koekje in mijn tas heb. Voorzichtig doe ik de rugzak af en haal een glutenvrij mariakoekje te voorschijn.

De koekjes zijn het enige substantiële voedsel in de de tas. Een avocado en een perzik weet ik nog ergens tussen de reserve sokken. Hij durft pas een stukje te eten wanneer ik de stukjes koek op de grond leg. Als ik daarna zachtjes achter zijn oren krab sluit het scharminkel genietend de ogen.

Ik doop hem Jezus de Buen Camino, natuurlijk te lang als roepnaam maar toch op een of andere manier bijzonder passend. Uiteindelijk moet ik verder, de tocht kan moeilijk eindigen naast een schurftige hond langs de kant van een zandweg. De hond kijkt me na terwijl ik wegstap. Ik roep hem; Suske! Langzaam zet hij een paar stappen in mijn richting om uiteindelijk onzeker geworden van al die positieve aandacht gewoon rechtsomkeer te maken en weg te sukkelen in de richting die op zijn planning stond.


Ondoorgrondelijk

Mijn hiel brandt als de pest wanneer ik de steile straat op strompel. Elke ochtend duurt het iets langer voordat de pijn wegtrekt. Ik ben op zoek naar de gele pijlen die de route aangeven. Gisteravond ben ik nogal afgedwaald om een treffelijke slaapplaats te vinden.

De smotsige man in zijn scootmobiel begint een heel verhaal als hij me ziet speuren in de straat. Hij wijst, die kant en dan gewoon doorlopen tot het einde. Mijn wandelmaatje heeft een andere route in gedachten.                                                 Volgens hem vermomt Satan zich het liefst als een zielig oud mensje en springt deze man, zodra we de hoek om zijn, uit zijn scootmachien, werpt zijn mantel af en slaat met zijn hoeven het vuur uit de stenen. Gewoon vertrouwen op de weg van de Heere en een gegeven aanwijzing niet in de bek kijken vind ik.

Het zet de toon van deze eindeloze dag. Er is een heuvel, nou vooruit berg, die we over moeten. Het zou een makkelijk dag moeten worden na de berg gaat het alleen nog maar omlaag recht op ons doel van vandaag:  Redondela.

Na een kilometer of vier lopen komt een mevrouw in haar auto ons achterop. Ze stopt en legt uit dat we terug moeten door het dorp. Volgens haar is deze route niet goed. Ik twijfel maar wijs haar op de pijlen die de route markeren. Natuurlijk heb ik ook de pijlen richting dorp gezien maar ik moet tenslotte berg op. Na een zwaai en een welgemeend merci vervolg ik toch mijn zelfgekozen route.

Als de twijfel toeslaat raadpleeg ik meneer Googlemaps. Die geeft ook richting,  nog anderhalf uur en ruim zes kilometer. Goed te doen. Na een kwartier kom ik plots weer een gele pijl tegen, natuurlijk vertrouw ik die, vast een kortere weg. Wie weet het tenslotte beter op zo een heilige route.

Als ik voor de derde keer aan de voet van dezelfde berg sta om hem alweer vanuit een andere kant te beklimmen geef ik het op. Googlemaps is vandaag de leider, de wegen van de Heere iets te ondoorgrondelijk.

 


Go with the flow

Op de steile hellingen in het bos spring ik van rotsblok naar rotsblok, zo ver ben ik van enige beschaving dat zelfs mijn gsm geen enkel signaal meer geeft. Het is er prachtig, groen en vochtig. Ik probeer de paardenstront te ontwijken van de schonkige dieren die ik ergens boven me op de berg hoor briesen en rommelen in de struiken. Af en toe vang ik een glimp op van een bruine zwiepende staart.

Mijn buik maakt grommende geluiden. Stiekem en in eenzaamheid betreur ik mijn keus voor de fles wijn van gisteravond in plaats van een degelijk ontbijt of avondmaal. De allerlaatste paar euro gaf ik uit aan een koffie want zonder een dosis cafeïne is mijn lijf tot lopen nauwelijks in staat. Nu is mijn maag even leeg als de portemonnee in de rugzak, die, of verbeeld ik me, bij elke stap zwaarder lijkt te wegen.

De wat rottige banaan die al een paar dagen bruin lag te worden tussen mijn extra paar sokken en regenjas deelde ik vanmorgen met mijn wandelmaatje. Hij kreeg het grootste stuk want hee, ik ben wel deftig opgevoed. Nu vervloek ik mijn keurigheid en probeer het grommen der maag te stoppen met een wormstekig appeltje dat ik vind op de grond.

Na veertien lege kilometers wandel ik de stad in waar ik vandaag een bed op zal zoeken. Van bovenop de heuvel hoor ik de doedelzakken spelen en zie ik de kraampjes op de markt. Het jaarlijkse dorpsfeest is in volle gang. Je kan er een wassen hand, voet of zelfs borst compleet met tepel kopen om in de kapel een zegen over het getroffen lichaamsdeel af te smeken.

Recht van lijf en leden voor zover ik besef laat ik de wassen huisvlijt links liggen. Eerst moet de portemonnee gespekt.

Bij het eerste marktkraam wat ik tegenkom staat een man achter een lage tafel met daarop enorme pannen met even indrukwekkende inktvissen. Het water loopt me in de mond. De man achter het kraam heeft aan mijn blik genoeg. Hij vist een stuk tentakel uit de pan en gaat het stuk met een schaar te lijf. In nette schijfjes valt het op een houten bord. Een flinke scheut olijfolie, flink wat scherpe rode peper en zeezout maken het bord af.

Met grote gebaren bestel ik ook nog een glas plaatselijke witte wijn en kan ik eindelijk aan mijn ontbijt beginnen.


Sopkoekje

Tijdens het stappen laat ik de gedachten  passeren. Niet te veel aandacht schenken dan gaat het vanzelf weg. Zo loop ik met mijn hoofd in de wolken waar mijn voeten me brengen. Als mensen vragen waar ik ben moet ik het antwoord schuldig blijven. Ergens in Portugal, of al in Spanje is voor mij accuraat genoeg.

Het leven teruggebracht tot de essentie, voel ik me kei onthecht en een beter mens. Ik lach om de mensen die voortdurend op hun gsm checken waar ze zijn en hoever ze al gelopen hebben. Tot ik strand in een herberg waar ik contant moet betalen. Met moeite tel ik mijn euro’s voor een veilige warme slaapplaats. Op bed gezeten keer ik mijn portemonee om, zeventien euro. Pas over 16 kilometer kan ik weer pinnen volgens de eigenaar van de herberg.

Geen supermarkt in de buurt, wel een restaurant naast de deur van dezelfde ” daar kan je niet pinnen” familie. Ik investeer zeven euro in fles koele witte wijn. Met zicht op de oceaan drink ik mijn glas. God zij dank krijg ik er een schaaltje nootjes bij. Dat is dan mijn avondeten.

 


Caramba,caramba

Ze kwetteren als een troep mussen, de vier Russische meisjes in wapperende bloemetjes broeken en vestjes in tijgerprint. Van ver hoor ik ze. Meestal zitten ze langs de kant van het pad hun voeten te verzorgen maar met dezelfde regelmaat hoor ik ze oh en ach roepen wanneer ze een hond aaien of een paard achter de oren krabben.

De allenige man met het uiterlijk van een labiele Vietnam veteraan hobbelt op zijn tevasandalen in en uit mijn beeld. Op zijn rug hangt een slechtzittende rugzak met daarover een stuk van een buitentent gedrapeerd. Hij trekt zijn kousen hoog op, zijn stap is traag. Zijn ogen ontmoeten geen enkele keer de mijne.

De Franse dame is kei luidruchtig. Ze weet me te vertellen wie de brug bouwde waarover ik loop en maakt voortdurend flauwe grapjes. Als ze in de buurt is probeer ik me onzichtbaar te maken en haar uitleg over de wereld rondom ons te negeren. Haar kwetsbaarheid doet de tranen in mijn ogen springen.

De weg is nog lang, net in Spanje aangekomen is het besef daar dat een mens niks voorstelt, een vliegenpoepje tegen het behang van wat wij onze wereld noemen. Ik ben alleen van betekenis voor de mensen die mij liefhebben. Innig tevreden over de niksheid van het bestaan maak ik me ongerust over de vrolijke Russische meisjes die ik al twee dagen niet meer zag.

 


Niks

In de slaperige dorpjes verzamelen de zwaluwen zich op de zwarte elektriciteitskabels hoog boven mijn hoofd. Het licht van de nazomer is warm, de geur van vroeger, van houtvuur en op een hoop geveegde bladeren hangt in de straten. Ik moet elke keer het vege lijf redden door snel aan de kant te springen wanneer een auto met racesnelheid een bocht om komt scheuren.

Het houtenplankier veert ritmisch op en neer onder mijn stap. Het volgt de kustlijn, ik proef het zout op mijn lippen. Het is een populaire route bij de plaatselijke bevolking. De oudere mannen met stevig gespierde kuiten steken me in rap tempo voorbij, vast oude brandweermannen fantaseer ik, die hun spieren kweekte door hulpeloze oude vrouwtjes uit brandende gebouwen te redden.

Zelf doe ik gewoon voort. Langs de kant van de stoffige weg zit een jonge vrouw knoflook schoon te maken. Als ik met handen en voeten duidelijk probeer te maken dat ik graag een wortel zou kopen uit een doos die naast haar staat mag ik niet betalen.

Mijn medewandelaars zijn over het algemeen jong en Duits of Canadees en dan scheppen ze op over de kilometers die ze per dag afleggen. Kei goed knik ik ze toe en wandel driftig verder.


Calma, calma

Ik hoor de oceaan eerder dan dat ik hem zie. Geen idee of de druppels die me in het gezicht kletsen van de mist of van de zee zijn.  Af en toe doemt er een golf op uit de mistige soep. Het licht is zo diffuus dat het pijn doet aan mijn ogen.

Deze dag is stil, er passeren mij een handvol medepelgrims getooid met enorme rugzakken. Ik fantaseer over de inhoud en denk aan gevulde koelkasten en dekbedden. Tijdens het reizen naar verlichte oorden is me nog nooit een zinnige gedachte ingevallen.

Ik neurie wat voor me uit, anticipeer op wat komen gaat door op tijd te plassen en mijn waterfles te vullen. Zo loop ik deze dag met het geluid van de oceaan, de blik op oneindig. De etiquette van de camino maak ik me maar moeilijk eigen. Doordat ik zo loop te suffen reageer ik elke keer te laat of in wauwelig Spaans als iemand mij een goeie weg wenst.


Porto

Ik hou van de stad op haar lelijkst: waar de vuilnis ophoogt in de bakken, plastic waait in de lauwe wind die de geur van rivier meedraagt. De katten, schurftige magere beesten, wachten er op de man die op zijn pantoffels aan komt schuifelen. Zijn schaarse haar plakt in sliertjes gekamd tegen zijn hoofd. In zijn hand een open blikje kattenvoer. Zorgvuldig schuift hij de inhoud op een plastic deksel van een of andere pot. De katten schrokken gulzig.

De schoenmakers en leersnijders gunnen me een kijkje in hun schemerige werkplaats, enkel de werktafel fel verlicht met tl. Aan de muur hangt een vacht van een ondefinieerbare herkomst. De lappen leer op een slordige stapel aan de zijkant. In de etalage portemonnees en kleine tasjes.

Naar de kathedraal voert mijn stap. Het eerste stempel dient gehaald. Een vrouw in een lichtrode jurk achter een tafel verkoopt ticketjes. Naast me staat een man die vol bewondering naar mijn Santiago pas kijkt. Met een vet Italiaans accent vraagt hij waar ik gestart ben. Ik begin hier, gebaar ik. Niet echt ver he, schampert hij.

De vrouw in de rode jurk sist keihard om ons tot stilte te manen. Triomfantelijk kijk ik de oude Italiaan in de ogen en leg mijn vinger tegen mijn lippen. Sssst!


Maakbaar

Ribbetjes, kippenpootjes en ander stevig kluifgerief grill ik met liefde. Een grote schaal knüsperige sla staat in het midden van de tafel. Het is het galgenmaal van de man. Morgen moet ie naar de tandarts, minstens vijf tanden zullen er getrokken worden. We doen van ach en wee en kluif nog een botje. Het Kind biedt zelfs aan om te rijden want na zo een slag in de bek zal nazorg nodig zijn.

De volgende dag slaan we hem op de schouder en spreken van moed en schoonheid nadien. De man komt thuis met al zijn tanden nog in. Er wordt enkel gehapt voor een tand die lang geleden het veld ruimde en in kunststof terug zal verschijnen.

Er is een machien om water om te toveren in bruis, net gekregen van een liefste. Vol bewondering zien we de bubbels verschijnen. In de koelkast weet ik de rosé koud. Wat water tot een spannende slok maakt zou wijn toch ook kunnen verheffen? We vullen een flesje en drukken op de knop. De kostelijke rosé stroomt en spuit door de keuken. De man rent met bubbelding en ontploffende drank naar buiten. Ik mag proeven van wat rest, met lekker veel bubbels!