Ridder

Friedman nestelt zich in het holletje tussen buik en knieën als ik me installeer tussen de wit linnen lakens. Het oranje van zijn vacht gloeit in het warme licht van mijn schemerlamp. Hij snort nog voor ik zijn kop kan kriebelen. Vol verwachting van het goede.

in het beginnende ochtenlicht op de boerenbuiten waar niks te gebeuren een groot goed is drink ik mijn koffie. Een flinke laag opgeklopte warme melk vergroot het comfort. De appelboom in het weiland achter mijn tuin draagt glanzende vruchten. Ik droom van potten vol moes die op mijn kelderplanken staan te blinken.

De gast in het radioprogramma, daags na de aanslagen in Spanje, is een verstandige vrouw. Ze spreekt over hoe de landen als Saoudi Arabië met rust gelaten worden vanwege economische belangen. Hoe dat soort landen een vrij brief krijgen om haat te prediken via elk beschikbaar kanaal. Hoe zelfgenoegzaam we in de Westerse samenleving op onze eigen borst staan te kloppen.

Wie gaat er nu iets aan doen? De woorden van de journalist echoën de hele dag na als was mijn hoofd een glanzend witte lege badkamer.

Opgekruld in bed met mijn hand op het sonore snorrende lijf van de kat beslis ik dat ik er iets aan ga doen. Ik kook mijn hoop voor morgen en streel wie mij lief is.


Een liefde

De man staat aan de deur. Zijn glimlach is uitbundig, de toon zeer luid. Volgens hem kan het feest pas beginnen nu ik er ben. De man is mijn geheel onbekend, ook het naambordje op de revers van zijn dure colbert doet geen enkel licht ontbranden.

Zijn ogen lachen niet mee. Halfverwege zijn wangen stokt de emotie. Nadat hij met twee handen de mijne heeft omvat dwaalt zijn blik af naar ergens over mijn schouder. Hij zoekt interessante buit en ik ben dat duidelijk niet.

Ik voel me verloren. In de zaal is maar een man die ik liefheb. De man met het kleine hartje. Hij belt me als hij weet dat het niet goed met me gaat. Hij betaald mijn koffie’s ook als hij geen cent te makken heeft. Hij zou de wereld aan me geven mocht ik dat vragen.

In de verte staat hij druk te gebaren in een groepje valse mannen. Hoe hij de schijn van instant geluk op kan houden, zo kan niemand het. Ach het gaat er niet om wie hem gelooft denk ik. Mijn tederheid voor hem is net zo oprecht als de zijn liefde voor mij.


Druilerig

Ik hou van de kleur van de binnenkant van schelpjes, de geur van de regen, volle maan, een waslijn met houten knijpers netjes op een rij. In het schemerlicht eet ik gewikkeld in mijn versleten lapjesdeken het laatste stuk chocolade met nootjes.

Ik tel mijn zegeningen en vervloek het lot dat mijn vriendinnen meepakt zonder schroom. Hoe ik elke verjaardag verder van ze weg leef en de onbegrijpelijkheid daarvan.

Ik lak mijn teennagels parlemoerroze omdat het zo goed bij mijn zacht zijden onderjurk past.

 


De Dichter

Vol bewondering over mijn hellingproefcapaciteit bejubelt de dichter mijn rijkunst. Zelf slingert hij zich met fiets en duim over de wereld. Ik ken de vermakelijke verhalen over zijn liftavonturen of hoe hij vluchtend voor het naderende onweer binnen rent bij interessante oudere dames of aantrekkelijke jongere die hij dan meeneemt naar België.

Het vuur in zijn donkere ogen maakt me gelukkig en aan het lachen. Regelmatig komt hij me bezoeken op de boerenbuiten. Bij de houtkachel spelen we met zijn allen scrabble: Ik verlies altijd. Op de lange wandelingen door de sombere winterse polder neemt hij me bij hand.

Ik herken zijn stap en de geur van vertrouwen die hij met zich meedraagt. De brieven die blijven komen, hoe ver zijn reis hem ook voert. Zo weven we de draden. Altijd is daar weer het moment dat zijn terugkeer aankondigt.

We hebben de tijd van de wereld als we afscheid nemen. Natuurlijk niet voorgoed, voor ons is er zeker later. Gisteren was hij jarig en ik vier de mijne morgen. Later is er niet meer. De dichter is dood en vanmorgen kondigde de verandering van het licht het begin van de herfst aan.

 


Boerenbuiten

Halfnaakt staat de man tegen zijn vensterbank geleund. Niks bijzonders te zien in mijn straat behalve de voorbijrazende auto,s. Hij krabt in zijn dunne grijze borsthaar, zijn kale hoofd beweegt van links naar rechts. Ik stap uit mijn auto en zwaai vrolijk zijn richting uit. Snel draait hij zich om.

In het dunne ochtendlicht stap ik naar mijn auto die netjes naast de stoep geparkeerd staat. Niet voor mijn huis, daar rijden ze zo hard dat ik vrees voor zijkant en spiegel. De vrouw staat met haar handen in haar zakken vlak voor de auto. ” Ik wil hier parkeren” ze roept hard op dit vroege uur. Ik doe een halfslachtige poging om uit te leggen en het begrip openbare weg wat meer diepte te geven.             ” We zijn er echt veel mee opgeschoten sinds jullie hier wonen ” ze bijt het me toe. Ik zwaai bij het wegrijden. Ze heft haar arm niet eens op.

In mijn tuin woont de groene specht, de kerkuil komt rond elf uur elke avond zwaar ademen in mijn tuin. De kippen lopen fier, pattison schittert geel tussen grote groene bladeren. Ik eet elke avond buiten. In het voorbij gaan spiegel ik in de grote ruit. Ik wuif naar de vrouw in de bloemetjesjurk met rood met wit gestreept vestje. Ze zwaait vrolijk terug.


Eenhapskuiken

Vier kuikens, aandoenlijk nog, met hier en daar een dons die zorgt voor het potsierlijke prehistorisch voorkomen. In de verte doen ze me aan een verlepte mini dinosaurus denken. Ik hou niet van kippen maar wat zou de de boerenbuiten zonder  vers eitje zijn. Dankbaar laat ik me de kuikens kado doen.

Ze komen in een kattenmandje en stjilpen de longen uit hun lijf. Eerst waren ze met acht, de ratten sloegen hun slag in de wrede Schoondijkse polder.  Ik beloof plechtig goed voor de overlevers te zorgen. We drinken er een frisse pint op en installeren de beesten in hun riant onderkomen.

De logeerhond komt. Zij ligt de hele dag met zijn snuit tegen het gaas gedrukt. Zachtjes jankt ze de kipjes toe. Die komen na een week nog steeds niet uit hun stenen burght. Hun immense weide ligt er verlaten bij. Ik besluit in te grijpen en overwin mijn weerstand om een kuiken aan te raken. Zonder pardon grijp ik ze en duw ze door hun luik.

Na een dag of wat begrijpen ze het concept en hippen vrolijk uit en in hun nachthok. Ik spreek de hond streng toe, een betoog over eeuwige verbanning en bloedvergieten. Ik geloof dat ze het snapt.

Deze morgen voer ik het ritueel van klep open, aanmoedigende tok geluiden, het wuiven met mijn hand als de laatste van de vier de sprong naar de buitenwereld waagt al met enige routine uit. Tevreden  over mijn boerinnen vaardigheden rommel ik wat in huis.

Een enorm gekrijs haalt me uit de zondagmorgenzen. Ik zie hoe de logeerhond door de wei rent. Bek vol zwarte veren. Vloekend en tierend ren ik er achteraan. De hond geschopt en verketterd laat beschaamd de buit vallen.

Twee kipjes morsdood, een kwijt en de ander in shock rent rondjes, keihard.

Als het Kindeke komt, ik in geur en kleur het verhaal doe en de overgebleven kip bekijk zegt ze: Dat is de haan, die zouden we toch opeten.


Philibert

Jammerlijk ligt de dode duif beneden aan de buitenlift. Een armzalig hoopje dons en veren, het naakte blauwgrijze vel schemert er doorheen. Met een plasticzak rond mijn hand pak ik het lijk om in de vuilniszak te dumpen.

Boven mijn hoofd, op een dunne metalen lat hangt het nest of wat er voor moet doorgaan. Drie takken, scheefgezakt en wiebelig, de ouders zitten op de massieve lift en kijken hoe het enige nog overgebleven jong probeert zijn evenwicht te houden.

Morgen raap ik vast het andere jong ook van de grond. De overlevingskansen van deze sukkelige familie lijken me nihil.

Wanneer ik de volgende dag veel te vroeg mijn metalen trap afdaal zie ik iets bewegen. Een rat is het eerste wat in me opkomt. Bij nadere inspectie blijkt het duivenjong nummer twee die monter van links naar recht over mijn binnenplaats stapt.

Amper veren maar met vinnige passen en heldere ogen ziet ie er potsierlijk uit. De ouders in geen velden of wegen te bekennen leg ik de plastic grijpzak alweer klaar. Bij thuiskomt, aan het einde van de dag zit ie er nog. Het ouderpaar, blijkbaar minder ontaard  dan ik dacht, voedert fanatiek.

Philiberke hupt binnen bij de gitaarbouwer waar hij keihard mee tjilpt, hij schuift op met het warme plekje zon op de binnenplaats en schuifelt rond onze voeten als de planten water krijgen. We raken aan het beest gehecht en het beest aan ons.

Nu is Philibert weg. We hopen op het wonder van de vlucht.


Lieve Mimi

Wat moet je doen als het condoom knapt? Kan je ziek worden van sperma drinken? Al vijf jaar ben ik verliefd op jongen maar hij ziet me niet staan, wat moet ik doen? Ik krijg de vragen keurig thuis gestuurd. De jongeren zitten ergens op de boerenbuiten te wachten op de antwoorden die ik ze zou moeten geven.

Op weg met mijn koffer vol informatie en aanschouwelijk-onderwijs-attributen ga ik op weg. Ik heb thuis nog wel efkes moeten opzoeken op welke leeftijd je volgens de Belgische autoriteiten aan seks mag doen. Gerustgesteld door mijn goede voorbereiding sta ik aan de balie van de school om uit te leggen waarvoor ik kom.

Ik word naar een grote zaal gebracht. Een podium, een microfoon en tachtig leerlingen. Met open mond bezie ik de meute. De leerlingen eten snoep, kijken op hun telefoon, hangen over elkaar heen.

Ik vind mezelf terug op het podium terwijl ik uit alle macht, zelfs met microfoon ben ik nauwelijks verstaanbaar in deze galmende schoolgrot, sta te roepen dat het grootste gevaar van sperma drinken misselijkheid is.

 


Knak

De koffie met opgeklopte melk staat uitnodigend te wachten op de ontbijttafel. Ik probeer me te laten zakken op de stoel. Mijn benen willen niet buigen. Ik denk, nee ik weet zeker, dat mijn bovenbenen zullen breken als ik doorga met de poging om te gaan zitten.

De sportschool op woensdagmiddag is rustig, de jongen tegenover me moedigt me enthousiast aan. Hij steekt van pure vreugde zijn twee duimen in de lucht als ik de bal van zeven kilo moeiteloos twaalf keer de lucht in duw. Ik buig en strek in series van twaalf. Allemaal reuze anatomisch verantwoord want dit is wel revalidatie fitness. Ik ga hier serieus mijn chronisch ontstoken achillespees te lijf.

Na een half uur ben ik klaar, kei-tevreden ben ik. Ondanks de maanden van amper bewegen rollen mijn spieren nog soepel en doen hun ding. De jongen die me een half uur lang toejuichte bij elke correct uitgevoerde oefening zakt een beetje door zijn knieën en heft zijn rechterhand op, palm naar voren. Verschrikt kijk ik rond me, moet ik nog iets ingewikkelds doen, heb ik in mijn opluchting dat de sessie overleeft is iets over het hoofd gezien?

Langzaam gaat het licht aan: Ahhhh, high-five!


Alles is winst

D’r uit, d’r uit. De man die nauwelijks tot aan mijn oksel komt wijst met zijn hand richting deur. Terwijl hij roept vliegt er spuug uit zijn mond. Vol verbazing sta ik. Je komt er nooit meer in!

We hebben geen woorden nodig om te weten dat we weg willen. Het schelden gaat onverminderd voort: Viespeuk, viespeuk, jij komt er ook niet meer in.  

Het Kindeke, net wakker want ze sliep zo lekker in de auto, kijkt met bange ogen van de een naar de ander. Ze slaat haar armpjes stevig rond mijn nek als ik haar op pak om de spugende man van dienst te zijn en naar buiten te stappen.

Nu zit ze stralend op het paard, mijn mooie kleindochter van vijf. Fier rechtop met losse handen wiegt ze mee met de stap van het paard. Af en toe krijgt het dier een klopje op de nek of roept ze met gebiedende stem om de orde te bewaren.

We stappen en we kletsen. Het is wel jammer he dat Dini is gestorven, daar hebben we zeker allemaal wel spijt van? Ik knik bevestigend en slik mijn tranen weg.

Gelukkig hebben we elkaar  nog. Ze zucht van tevredenheid