Verschrikkelijk dier

De hond en ik komen terug van ons ochtendrondje. Niet te ver want vrij vandaag, de grote wandeling doen we vanmiddag met de zon in de rug, beloof ik het beest. Op de stoep nadert een vrouw, donkere jas, rok, zwarte schoenen. Ze kijkt bepaald niet blij.  Ik haal de hond aan de riem in als een vis aan de lijn. Juliette doet geen vlieg kwaad maar iets in deze vrouw maakt dat ik de hond dichtbij wil houden.

Met het hoofd gebogen stapt de vrouw voorbij de hond. Ze kijkt niet op en beantwoordt mijn groet op geen enkele manier. In een flits zie ik de kop van de hond bewegen. Juliette zet haar tanden in de rok van de mevrouw. Als ze haar bek weer opendoet hangt er een zwart-wit draadje tussen haar tanden.

Geschrokken vraag ik naar kapotte rok of ander ongemak. Loop maar door, ik regel het zelf wel! De vrouw herhaalt het een paar keer, steeds luider. Ik blijf beleefd excuus maken en vraag met klem nog eens naar de rok. Ik weet zeker dat mijn hond haar been niet vast had maar een draadje uit de rok kan voor nare gaten zorgen. Uiteindelijk geef ik de vrouw mijn adres.

Net na twaalven gaat mijn bel. Ik weet zonder kijken wie het is. Wanneer ik de deur open begint de vrouw meteen te roepen: Of ik het wel verantwoord vind om met zo een hond naar buiten te gaan, wat als ze met een kind had gelopen. Wanneer ik nogmaals excuus aanbied en vertel dat Juliette nog nooit eerder hapte blijft ze gewoon doorroepen. Haar stem slaat ondertussen over en wordt steeds schriller.

Ik probeeer begrip op te brengen voor haar schrik maar niks kan haar kalmeren. Ik vraag haar wat ik dan had moeten doen om haar te helpen, wil ze soms dat ik de hond in laat slapen omdat hij in haar rok beet?

Triomfantelijk roept ze: ja, ja dat wil ik, dat zou je moeten doen. Ondertussen zit Juliette met haar kop boven de vensterbank met haar ogen dicht te soezen in de zon. Met een half oog bekijkt ze de schreeuwende vrouw. Die heeft mijn ouwe rooie vuilbakkenhond ook gespot.

Daar zit ze, daar! Het is al drie uur geleden, zeker, je had haar al moeten laten inslapen!


Woest aantrekkelijk

In de avond is het dans in de bar. Achteloos kruisen ze hun benen, draaien rond, en komen precies in de maat weer netjes met dezelfde voet naar voren terug. Jaloersmakend vind ik dat. Ik struikel over elke drempel, mijn voet tikt nooit de maat.

Workshop dance voor dummies hebben ze georganiseerd, voor de speciallekes zoals ik. Stap voor stap, tik voor tik en dan maal tien. Omdat ik extra speciaal ben en al mijn hersens in de knoop geraken krijg ik iemand naast me die de stappen voordoet. De twintig jarige houdt mijn hand liefdevol vast. Apetrots ben ik als ik de helft van het dansje snap. Ik waan mij een euforisch kampioen wanneer ik het dansparcour foutloos afleg.

Zweterig en nog een beetje high van het plotselinge succes stap ik de deur uit, van het licht in het duister. Naast de deur staat een van de studenten, stiekem noem ik hem De Viking, met zijn woeste blonde baard en zijn warrige haar. Zo kan ik de verschillende studenten makkelijk uit elkaar houden.

Ontspannen staat hij tegen de muur geleund. In het voorbij stappen hoor ik hem zeggen ik vind u ne toffe! Als ik me omdraai kijkt hij me bijzonder indringend aan. Ik zou je moeder wel kunnen zijn schatter ik hem toe.

Dat vind ik juist zo aantrekkelijk 


Roetsj

De villa is prachtig, de bossen rond West Malle fluisteren al van de lente die echt weer zal komen. Als ik toekom klopt de Vlaamse gaai zijn welkom. Mijn kindjes, ze zijn boven de twintig, maar in mijn ogen nog maar net begonnen.

Mijn lokaal is boven met zicht op de ouwe bomen, de erker nodigt uit te leunen en te bezien. De gangen glimmend geboend, het lamplicht spiegelt in de majeustieuze trappen.

Nee met de schoenen mag je niet naar boven, daar van gaat de trap naar zijn mallemoer. Ik krijg prachtige sokken, paars met donker, zacht en warm aan mijn voetjes. Elegant ook vind ik zelf. Voorzichtig stap ik want al snel bevind ik me als een schaatsers op glad ijs. Kijk roep ik naar mijn studenten en ik roetsj door de gang. Niet slecht voor een bejaarde!

Het is stil wanneer ik de trap afdaal. Een hand op de leuning, de andere vol met spullen. Mijn voet glibbert van de trap. De hand op de leuning is niet genoeg. Gelijk een zak patatten, roetsj.


Verrassing

Het glanzende zwarte scherm staart me donker aan. Keer op keer probeer ik op te laden in de hoop op een wonderbaarlijke herrijzenis. Tevergeefs. Mijn hippe telefoon blijft dodelijk stil.

Ik lees doemscenario’s over afgestorven accu’s en dure reparaties. Met een bang hartje breng ik het apparaat naar een reparatiebedrijf met een eufemistische naam.  Ik leg omstandig uit hoe en wat en dat vooral het oplaadstekkertje op weerstand lijkt te stuiten.

Even wachten, de man verdwijnt de trap op. Wanneer hij terugkomst ligt in de palm van zijn hand een perfecte minuscule houtkrul. De reparatieman trekt zijn wenkbrauw op en zwijgt.

Dat doe ik dan ook maar.


Dien

De zon schijnt, door het grote raam valt het licht royaal naar binnen. Je zit in je stoel de voeten op schoot van je lief. Zo lang al samen dat zijn hand zonder kijken kan omvatten.

Jij bent ver weg, onze tranen glijden langs je heen. Hoe graag wij je zouden dragen, nog verder met ons mee het leven door, ons leven, niet het jouwe want dat ben je al lang kwijt geraakt.

Zo zitten we daar te wachten op verlossing. We eten een laatste boterham met zalm, delen de broodjes. Er was zuinig ingekocht, wie wil eten als de dood verwelkomt wordt? Het simpele ritueel van samen eten schenkt ons de  illusie van leven en instant houden.

Jij wil naar bed, daar hoeft niet over gesproken. We weten dat je moe bent. Een voor een gaan we je kamer binnen. Jij zal hier over enkele ogenblikken gewikkeld in doeken liggen. Onbeweeglijk en ver weg.

Ik omhels je een allerlaatste keer en fluister je naam. Meer hebben we niet nodig. Alles is gezegd, onze liefde niet in woorden te vatten.

Elke ochtend noem ik je bij naam. Vaak niet meer dan een flauwe zucht, een kleine opflakkering van energie. Een enkele keer, meestal onderweg, ter hoogte van de Braakman, draai ik mijn raam open en schreeuw het uit.

 


Consult

Dik boven de zestig is hij, een grijze gebreide trui spant over zijn buik. Het donkere haar in een straffe coupe geknipt. Ik zit voor zijn bureau en mijn hoofd bonkt onophoudelijk. Mijn wenkbrauwen wegen te zwaar voor mijn gezicht.

Koortsig en met een hoofd zo vol snot dat elke samenhangende gedachte een onmogelijke opgaaf lijkt leg ik uit hoe beroerd ik ben. Hij probeert ondertussen de computer op te starten. Het duurt eindeloos, het valt hem niet mee dat digitale tijdperk.

Gedachtenloos staar ik naar zijn bureau. Propvol met paperassen, attributen, pennen en een scheerapparaat.  Nog nooit gezien bij een huisarts, niet echt hygiënisch, waarom gebruikt hij geen wegwerpmesjes als hij het haar bij patiënten ergens weg moet halen bedenk ik.

Ik kijk toch al een aantal minuten voor ik de link leg tussen de kleine grijze haarstoppels die verspreid op het bureau en de spullen erop liggen en de gladgeschoren wangen van mijn nieuwe huisarts.


Perceptie

De oudere collega en ik hebben weinig gemeen. Hij weet alles van cijfers en ik raak al in paniek wanneer ik drie getallen moet optellen, laat staan met elkaar vermenigvuldigen. Als ik toekom op het werk zit hij al achter zijn bureau. Overhemd, nette broek, schoenen gepoetst en zijn dunne haar is over zijn roze schelde gekamd. Joviaal is zijn begroeting.

Ik zie in hem de onzeker jongen, zijn uiterlijk nooit mee gehad, groot katholiek gezin, weet wat delen is en wachten tot je geld genoeg bij elkaar hebt geschraapt om te kopen wat nodig is. Nog steeds doet hij zijn best om gezien te worden Hij weet dat ik de jongen zie. We worden nooit vrienden. Hij zit niet te wachten op mijn ongevraagde analyse.

Ik weet dat hij kinderen heeft, die briljant zijn maar evenmin de schoonheid van het leven mee kregen. Ik heb compassie en probeer dat zo goed mogelijk te verbergen. Op verjaardagen trakteert hij met zwier op grote dozen gebak en elke twee jaar staat er een nieuwe auto voor zijn deur. Ik bak cake en rij in rammelende bakken. Hij zorgt voor zijn zieke moeder en doet vrijwilligerswerk. Wij werken niet lang samen.

Ik lees een stukje in de krant over een gerespecteerd lid van de gemeenschap die de kasopbrengst van de kleine sportclub systematisch in eigen zak liet glijden. De sportclub floreert desondanks. Genoeg leden, aanpassingen aan het clubgebouw, geen probleem. Hij wordt beschimpt en met pek en veren overladen. De dozen  gebak en de nieuwe auto, het was de sportclub die trakteerde.

Ik denk aan de kleine jongen die zo graag wil dat iedereen van hem zal houden.

 


De Dichter

De kleine vlam wappert in de tocht die langs mijn schoorsteen de kamer binnenkomt. Ik woon niet bijzonder comfortabel maar het is warm en er is een boom. Ik denk aan de dichter en hoe hij alleen in zijn bed is gestorven.

Na een bezoek aan de buren, ach zouden ze er nog wonen, het was gezellig geweest begreep ik van de buurvrouw, een beetje dronken en ik hoop nog vol van napret in  bed gerold. Dat beeld kan ik makkelijk oproepen. Hoe vaak ben jij in die toestand niet ergens in een bed bij mij neergeploft.

Na een lange avond bij de kachel, met zelfgestookte drank, een spelletje scrabble, en eindeloos de toestand in de wereld doornemen of een lange wandeling door de polders van het Mollekot. Er kwam altijd wel ergens een punt op zo een avond waarop ik je niet meer kon volgen. Niet in drinken en niet in spreken.

Vaak ging ik eerder naar bed. Dan hoorde ik je de trap op stommelen en wist ik je dichtbij. Het had iets geruststellend, dat gerommel op de trap en rond het bed. Ik hoop dat er in je laatste momenten een beetje van die veiligheid van hoe het zou zijn om te sterven met een hand in de jouwe tot daar gekomen is.

Alleen in bed, zou er een schemerlampje aangebleven zijn?

Ik lak mijn nagels met glitters en ontsteek het licht opdat we niet alleen sterven!

 

 

 


Traditie

Ik doe aan skip, geen idee of skip een Nederlands woord is. Mijn Vlaamse krakers gebruiken het woord voor de producten die afgeprijsd zijn in de supermarkt omdat ze bijna over datum zijn. Ik vind het een mooi woord, het klinkt feestelijk en vrolijk.

Nu doe ik elke dag aan skip, geen groter plezier dan gelukzalig producten in mijn mand gooien met de vijftig of vijfendertig procent kortingsstickers. Het liefs heb ik de salades met rare boontjes en van die granen voor mensen die geloven dat ze daar keigezond van worden. Ik heb ontdekt dat ze ook twee dagen na datum nog prima smaken zeker als je de ranzige dressing niet gebruikt.

Met kerst verheug ik me extra op de skip. Al die lekkere exotische voedingswaren waar ik van zijn lang zal ze leven geen fortuin voor neer wil leggen zijn met de korting enorm begeerlijk. Nu is het zover, een uurtje voor sluitingstijd wandel ik stralend tussen de rekken.

Niemand lijkt mijn geluk te delen, opgestapelde karren met chagrijnige mensen die niet op of om kijken. Briefje in de hand en efficiëntie, daar wordt een mens blijkbaar niet gelukkig van.

Ik koop een enorme kerstkalkoen, kalbeljouw voor Portugese kroketten en lekker veel kaas. Twee enorme flessen tonic, niet afgeprijsd, maar onmisbaar voor de enorme gin-tonic die ik straks thuis ga maken, mogen ook mee naar huis. Ik klets uitgebreid met de caissière en negeer de zuchtende man met zijn boodschappen achter mij.

Wanneer ik mijn kar terug in het rek zet vind ik een fles ginger ale, netjes dicht nog. Fijne feestdagen!


Snip snap

Je bent te laat! De vrouw in de witte jas achter de balie snauwt het me toe. Ze kijkt me niet aan maar rukt de envelop uit mijn hand. Ik mompel dat ik echt op tijd in het ziekenhuis aankwam maar dat alle mensen voor me eindeloze vragen hadden of een preek kregen om dat een of ander niet in orde was.

De vrouw heeft besloten dat ze niet meer tegen me spreekt en pakt de telefoon om aan de röntgenmevrouw te vragen of ik nog mag komen. Amper vijf minuten te laat ben ik en als de verpleegkundige die mijn gegevens in de computer moet voeren me niet vermanend had toegesproken was ik min of meer op tijd geweest.

Ik sta ik mijn kousenbroek te rillen in de kille ruimte. Eerst de ene borst die pannenkoek wordt en dan de andere. Het lieve meisje achter de knoppen vraagt me stil te staan. Ik kan nauwelijks ademhalen vanwege de snerpende pijn. Dan moet ik wachten of er nog een echo nodig is.

Eindeloos zit ik in De wachtruimte, zenuwachtig nu want waarom duurt het zo lang. De jaarlijkse controle is om te kijken of een onschuldig spatje niet veranderde in een kwaadaardig monster. Ik fantaseer over de andere mensen in de wachtruimte en bedenk wat ik straks tegen mijn vriendin zal zeggen.

Geen echo dit keer en de huisarts krijgt de uitslag.