Verzekering

In het holst van de nacht schrik ik wakker, iets vreselijks heeft me aangeraakt. Wanneer ik paniekerig de lamp aanknip in het vreemde huis in het vreemde bed zie ik de kat. Ze kijkt me strak aan en likt haar snorharen. Ze zit tegen mijn arm aangedrukt.

In de ochtend, het is nog vroeg en het licht nog grijs, stap ik met blote voeten naar buiten om de terrorkat uit te laten. Met mijn grote teen sta ik op een slijmerige naaktslak. Het kost behoorlijk wat moeite om het slakkenslijm van tussen mijn tenen te wassen.

Het beeldige groene kleedje valt geweldig langs mijn lijf. Wanhopig probeer ik de rits dicht te krijgen. In welke bochten ik me ook wring, voor het laatste stuk is mijn arm te kort. Ik trek mijn vest aan om het euvel te verhelpen.

In de auto plaats ik de beker thee in het daarvoor bestemde vakje. Nog voor ik de geleende auto kan starten valt de volle beker om. Thee stroomt in het bakje waar koekkruimels, papiertjes en een haarspeld liggen.

In de namiddag stap ik binnen bij het plaatselijke verzekeringsmevrouw. Ik zou graag de inboedel in de doorzonschool verzekeren en een Nederlandse aansprakelijkheidsverzekering af sluiten. Een mens moet zich toch vestigen voor hij koud is.

Ik moet mijn verzekeringshistorie overleggen. Ik piep dat ik niet echt een verzekering had. Dan zal het niet gaan zegt ze en kijkt me doordringend aan.


Verhuis

Ik heb al weken buikpijn. Geen idee, is het onvervuld verlangen of de verhuis die op mijn maag drukt. Wellicht een beetje van de twee. Onbestemde grom en fluistering, mijn oren spitsen maar ik hoor niks.

Het nakende vertrek naar Italië, mijn rugzak staat me aan te gapen. Af en toe mik ik er iets in. Het lijstje van wat nog mee moet en wat ik nog moet aanschaffen wordt langer en langer.

De kippen, het konijn, ze vertrekken een voor een naar hun logeeradres. Mijn kleren zitten ruimer rond mijn lijf. Ik voel me vreemd verlaten ondanks de mensen om me heen.

In het donkerst van de nacht droom ik van mijn dooie vriendinnen. Ze houden mijn handen vast en zeggen dat uiteindelijk altijd alles goed komt.


Be good

Pas na haar optreden zie ik haar vermomming. Hoe haar blik verzacht, haar handen weer van haar worden. Het foute bloesje verruild voor de zachte pyjama.

Ze doet me wenen. Voorzichtig probeer ik mijn tranen weg te slikken. Ik zou hier, op deze harde stoel, tussen deze keurige mensen, bij een huiskamerconcert, liever niet uitgebreid zitten snikken en snuffen.

Ik zie haar graag nog voor we spreken.


Truc met haan

Koekoek loopt fier rond. Hij waant zich man van de wereld. Elke vier minuten bespringt hij een van de hennen. Die protesteren luid kakkelend maar gaan uiteindelijk door de knieën.

Elke morgen om kwart over vier is ie wakker, op hoge poten kraait hij het uit. Het is een overlever onze haan. Al twee keer ontsnapte hij aan de bijthond.

Wij gaan verhuizen, nette buurt, keurige omwonenden, niks voor een haan. Bovendien willen we onze buren graag te vriend houden.

Het is nacht, donkere nacht. Koekoek zit stil in zijn mandje. Zijn oogjes zakken dicht. We maken sussende geluidjes, over logeren en de wijde wereld. Met een bezwaard gemoed zwaaien we onze fier man uit.

Opgetogen zit ik bij de ambtenaar die de vergunning voor onze woeste plannen zal regelen. Hij legt uit en wijst met zijn pen. Hoe lang gaat het duren voor de vergunning geregeld is? Zonder nadenken noemt hij een termijn van twee tot drie maanden. Mijn hart slaat over van schrik. Over twee weken moet ik uit mijn huis.

Ik maak sussende geluidjes, over logeren en de wijde wereld.


Verwarring

Kei trots geef ik mijzelf een schouderklopje: In een week tijd naar de tandarts en de huisarts. Niks ernstigs, een tand met een stukje af, medicatie die bijna op is en een onverklaarbaar vitamine D tekort wat opgelost dient te worden. Eindeloos stel ik dit soort afspraken uit wegens niet belangrijk genoeg.

Half vijf staat de er in de agenda. Keurig op tijd waai ik het bureau van mijn huisarts binnen. Wanneer hij me binnenlaat lijkt er iets niet helemaal te kloppen. Ik kan er niet echt een vinger op leggen. Druk babbelend loop ik mee om mijn verhaal te doen en vragen te stellen. Als ik vertrek met twee recepten op zak drukt hij me nadrukkelijk een briefje in de hand met tijden waarop de beste man bereikbaar is.

Had ik niet al zo een briefje? Ik prop het in mijn zak en wandel richting apotheker.

Zeker een half uur later gaat mijn telefoon. Langs de drukke weg waar ik net de hond uitlaat kan ik de spreker aan de andere kant met moeite verstaan. Het is mijn huisarts, mijn toffe Gentse. Hij klinkt nogal geïrriteerd, of ik wel weet dat ik een afspraak met hem heb en dat ik al een half uur te laat ben!

Er ontstaat een gesprek waar ik niks van begrijp. Ik was toch net bij mijn huisarts? Hoe kan mijn vorige huisarts dat nu weten? Ik probeer uit te leggen dat ik nu in Watervliet woon en een andere huisarts heb. Hij bitst dat ie dat echt wel weet en dat hij het ook al een beetje gek vond dat ik een afspraak wilde maken. Ik wil helemaal geen afspraak met u maken verhef ik nu ook mijn stem. Waarom ik hem dan bel want hoe kan hij anders weten dat ik naar de huisarts ben geweest?

Nog een poging waag ik om enige helderheid te krijgen. Het hoeft niet meer. Dag mevrouw! De verbinding wordt verbroken. Wezenloos staar ik naar mijn telefoon.

Langzaam begint het te dagen. Ik heb een afspraak met de verkeerde huisarts gemaakt.


Liefje

De klank van je stem is in mijn hoofd verweven met de mijne. Een verre echo van je uitbundig lachen is wat er overschiet.

Ik heb vingers tekort om de jaren tot je sterfdatum terug te tellen. Als ik je nog dichtbij wil voelen draag ik je kapot horloge. Het staat al jaren stil op vijf voor half elf.

Het graf met de lelijke steen staat onaangeroerd door tijd. De ruimte die je innam nooit meer ingevuld.

Het verdriet nog steeds abstract en nauwelijks te bevatten. Geen woord kan ik vinden wat jou missen beschrijft.

Je verjaardag vier ik nu alleen.


Omgekeerd

De Japanners lijken net mieren. Ze wandelen volgens een voor mij onzichtbaar patroon door de beeldentuin. Net zat ik helemaal ingesloten en even was ik bang dat ze over me heen zouden klimmen, zo vastbesloten stappen ze voort.

Zwierig zwaait de rok van mijn jurk rond mijn benen. Rood met witte blommen. De suppoost ziet ons van verre. Veert op uit zijn stoel, blauw in het felle groen. Ik zie hoe ons palet van al die frisse heldere kleuren een dansje maakt. De bomen en de stoel brommen van tevredenheid.

U gaat toch wel de trap op? De man in zijn keurig uniform kijkt zelf ook verlangend naar boven. Zo een veertig meter hoog schat ik. Steile smalle treden in beton en hout. Het uitzicht over de Hoge Veluwe, ach de man zucht ervan. Niet altijd open hoor want een vreselijk ongeluk van ooit houdt de trap de meeste tijd gesloten.

De zware tas aan mijn schouder trekt me nu al naar de aarde. Zou u misschien? Ik kijk wat droevig naar de leren kolos. De man denkt even na maar knikt dan stralend. Zo verruilt de tas mijn schouder voor de zijne.

De klim is enorm, mijn jurk een veeg van rood en wit op weg naar de wolken. Het uitzicht adembenemend. De zandverstuivingen, bomen, de zon die de aarde doet zinderen. Met bibberbenen daal ik af. Mijn tas, het praatje, nog net geen zoen van de juffrouw wandel ik verder.

De jurk zit eigenlijk wel een beetje strak rond mijn borsten. Platgedrukt, ik kan er niks anders bij bedenken. Plots gegroeid? Ik probeer een beetje te duwen en de verplaatsen maar het blijft wat ongemakkelijk.

Zo ontdek ik dat ik al een halve dag met mijn jurk achterstevoren door het Kröller-Müller museum loop.

 

 


De jongens

Liefkozend omvat het prachtige meisje haar borsten. Ze zijn een beetje verbrand zegt ze tegen me. We staan alle twee poedelnaakt in de kleedruimte van de sauna. Het is het einde van een prachtige dag vol zon. Ze buigt haar hoofd richting perfecte b cup: Jullie komen anders nooit buiten he jongens!  

Ze houdt niet van de douche zegt de vrouw met twee extra handvaten op haar rug. Ik kijk er elke keer gefascineerd naar wanneer ze zich onderdompelt in het ijsbad. Ik vraag me af hoe dat er uit ziet met een bh aan.

Twee mannen, dik in de zeventig, tanige gebruinde lijven stappen druk pratend voorbij. Plasticzak met persoonlijke spullen in de hand. Een van de twee heeft zijn schaamhaar zorgvuldig afgeschoren.

Schaamteloos gluur ik naar de verzameling blote lijven. Mijn hand rust op mijn buik. De zon brandt op mijn lijf.

 


In de weide

Bij elke stap die gezet wordt plakt de jeans aan mijn been. De hars van het plakken in de doeken is een hardnekkig goedje. Ik weet dat er eigenlijk een kuisproductje op losgelaten moet worden. Liever heb ik het plakken om me te herinneren aan het klimmen.

In mijn hoofd is de lente in volle glorie losgebarsten. Ik luister naar onnozele vrolijke muziek. Neurie liedjes van Lucky Fonz. Ideeën doen haasje over, ik kom tijd te kort, heb zin om te vrijen. Serieuze zaken schreeuwen om aandacht maar ik loop met mijn neus in de lucht en blote voeten op nat zand.

Op de piano rennen mijn vingers van links naar rechts. Ik struikel over de oppaskatten, krijg een opdonder van het paardenschrikdraad en een schaap denkt dat het lekkerste hapje van de hele wereld in mijn jaszak zit.

De aspergesoep van schillen en kontjes wordt precies wat ik verwachtte. De nerveuze energie van een verliefde tiener raast door mijn lijf. Misschien zou je beter een pilletje nemen zegt de vrouw  die tegenover me zit wanneer ik woest met mijn armen zwaai en en passant een beker ouwe thee van tafel mept.

 


Hamelen

Ik zet me op een stoeltje buiten in de avondzon. Ik moet er bijna van zuchten zo idyllisch is mijn uitzicht: De oude notenboom, het weiland met de ezels, mijn konijn languit in het gras en de kipjes die scharrelen en een zandbad nemen. Het duurt even voor mijn brein beseft dat het bruine huppelende in de kippenren geen blaadjes zijn.

Vier jonge ratten buitelen over elkaar heen. Wanneer ik een ijselijke kreet slaak waggelen ze voor de vorm richting ingang van hun gangenstelsel. Nog voor het geluid van mijn schreeuw verstomt rennen ze alweer tussen de kippen om tikkertje te spelen.

De volgende middag sta ik te staren naar de planken vol rattengif in het plaatselijke equivalent van de Boerenbond. De een doodt nog sneller dan de ander. Ik weeg de groene gifvoederbak op mijn hand en lees de gebruiksaanwijzing.

Vier ben ik en onafscheidelijk met mijn hondje Teddy. Hij past net zo makkelijk in de binnenzak van mijn vaders jas als in mijn wandelwagen. Op een dag is Teddy weg. Hij zit in de schuur en is ziek, rattengif zegt mijn moeder. Teddy komt nooit meer terug.

Het gif gaat terug op het schap, de poes Friedman, de kindjes en de kerkuil die elke avond amechtig komt hijgen op mijn dak kunnen met mij opgelucht ademhalen. Ik bel de rattenvanger. Hij komt met honden en zijn fretten. Nou ja als ik efkes wil wachten want vanmiddag sneed hij het topje van zijn duim!