Evenwicht

Voor vertrek trek ik mijn regenbroek aan. De dreigende wolken zijn te dichtbij om te negeren. Ik heb geen zin om straks met natte modderige schoenen alsnog de plastic flapperende broek aan te trekken en ben nogal tevreden over mijn gedegen voorbereiding van de wandeling van deze dag.

Na twee uur stappen is er nog steeds geen druppel gevallen. Zweten doe ik daar en tegen als een otter. Bovendien moet ik erg nodig plassen. Bomen genoeg om achter te hurken maar het idee van al die lagen kleding die uit en af moeten doet me besluiten om nog efkes door te stappen. Wie weet is er straks wel een café om alles ordentelijk te regelen en bovendien een tasje koffie te drinken.

Er komt geen café en er is nergens koffie. Er is wel een moment waarop ik de druk in mijn blaas niet meer kan negeren. De rugzak gaat af. Ik probeer een been uit de regenbroek te wurmen. Op een of andere manier blijft mijn voet onwrikbaar vastzitten in de pijp. Hoe ik ook friemel en wrik de voet zit vast.

Om te voorkomen dat ik omval schiet de man te hulp in een soort van origamigreep houdt hij me recht. Samen hinken we van links naar rechts over het bospad. Uiteindelijk lukt het me mijn voet te bevrijden en me te ontdoen van de overbodige regenkleding. Er valt deze dag geen druppel.


Alle zegen…..

De kap van mijn regenjas trek ik strak over mijn hoofd, de regen kletst in dikke druppels naar beneden. Efkes nog probeer ik de nattigheid zonder regenbroek te trotseren. Onbegonnen werk is het, de zondvloed is er niks bij. Zuchtend en met een beetje steun van de man doe ik zonder omvallen toch maar de rest van mijn regenpak aan.

De bril al lang in de jaszak bewegen we als een soort trage slakken met onze rugzak in fel oranje en reflecterend zilver over de slikkerige landwegen. Zoeken naar de markering van het Pieterpad is zo zonder duidelijk zicht een schone uitdaging. Meestal lukt het.

Bij een schilderachtige kapelletje is er pauze. Het ruikt er binnen naar was van kaarsen en verschraalde vazen met chrysanten. Er is nog proviand in de rugzak, een banaan en een stukje droge worst. Tevreden zit ik daar op een houten bank met mijn verlate lunch. Vanmorgen was er ook zo een fijne Maria in een neppe Lourdes grot. Lekker hysterische papier-maché grottigheden en Marie in al haar glorie.

De man staat plots mompelend op van zijn plek. Ik versta niet precies wat hij zegt want de regen sluist naar beneden. Hij steekt een kaars aan. Aarzelend gaat de vlam van de kaars hoger branden. Voor droog weer en de regen die gaat stoppen begrijp ik nu.

We hangen de rugzak weer om en stappen de kapel uit. Het lijkt alsof de regen al minder wordt. Na nog eens tien minuten is het droog en schijnt er een waterig zonnetje. Je moet het gewoon vragen wanneer je iets wil. De grijns van de man is nog breder dan de mijne!


Stappers

De man schuddebuikt achter het stuur, wat ben ik toch altijd grappig. Pas na drie keer zuchten en verzekeren dat ik echt mijn prachtige fijne pantoffelachtige wandelschoenen vergeten ben daalt ook bij hem de boodschap binnen. Kak, geen wandelschoenen en ruim 200 kilometer stappen voor de boeg.

Doodongelukkig sta ik een half uur later te staren naar een muur van schoenen in de Bever Maastricht. De schoenen die thuis op de kast staan hebben ze nog, het zijn de aller, aller duurste. Die wil ik maar ik kan het niet. Ik ben niet in staat om meer dan 250 euro te betalen voor schoenen die ik al heb.

Uiteindelijk kies ik een paar kei lelijke blauwe wandelschoenen van mijn vertrouwde merk. Ze staan echt goed bij je jeansbroek zegt de man optimistisch.


Het leven van alle dag

In de snelle bmw zoeven we over de snelweg richting vertrekpunt van de wandeltocht. Tweehonderd kilometer Pieterpad ligt voor me. Buitengewoon tevreden kijk ik naar mijzelf. Kekke jurk, goeie laarsjes, straks moet ik weer twee weken op mijn niet al te elegante wandelschoenen stappen. Meindels die een rib uit je lijf kosten maar voor je image niks doen. Voorlopig geniet ik nog even van de luxe van mooie schoenen en een aerodynamisch kleedje.

Ergens in mijn achterhoofd begint er iets te knagen: Voor vertrek droeg de man mijn gerief naar de auto, alles heb ik mee riep hij terwijl ik nog efkes naar het toilet rende.

Nu in de auto begint het besef langzaam door te dringen dat alles misschien niet helemaal juist was. Het beeld van mijn wandelschoenen die staan te wachten om ingepakt te worden is helder als glas. Ze staan nog thuis op de kast in de gang. Ik ben mijn wandelschoenen vergeten.


Roll Over

Het busje van de penitentiaire inrichting komt tot stilstand vlak voor mijn voeten. Het grint knerpt. Uit de bus stappen twee mannen in uniform. Wanneer ze de zijdeur openschuiven rollen twee mannen naar buiten. Ze hebben grote plastic boodschappentassen bij, elk twee. Ze dragen een trainingspak.

Zelf draag ik een deftig kleedje en hakschoenen. Alles in orde straal ik uit, of dat denk ik toch tenminste. Terwijl ik vriendelijk goedemiddag mompel stap ik opzij. Op weg naar mijn baan, een crackertje met banaan, koffie met warme melk. Thuis mensen die mijn hand vasthouden wanneer ik verdriet heb en slap van de lach tegen me aan rollen in bed wanneer we domme grapjes maken.

Het gevangenisbusje rijdt weg. De twee mannen en hun winkelzakken blijven achter. Niemand die met ze mee naar binnen gaat of hun hand vasthoudt. Ik aarzel, zal ik mee stappen, ze welkom heten? Het verhaal over de tbs’ers net tijdens de rondleiding nog vers in mijn geheugen sla ik het portier van mijn auto dicht. Ik moet er erg van zuchten.


Te mooi om te laten liggen

Er woont een mol onder mijn terras. Blijkbaar een beest met enorme graafdrang. Langzaam zie ik mijn stoeptegels een voor een verzakken. Het wiebelt akelig wanneer ik er op sta. Ik ben bang dat mijn terras nog in een gat in China boven de grond komt als ik niks doe.

Er moet zand of grond onder. Op de fiets, met in elke fietstas een emmer ga ik op queeste voor zand. Het enig wat ik vind zijn mottige keiharde hompen molshoop met onkruid er op. Dat lijkt me geen optie voor het smetteloos terras dat ik voor ogen heb.

Met lege emmers keer ik huiswaarts. Zittend aan tafel met een kop thee kijk ik op de site van de plaatselijke bouwmarkt. Chanegrijnig word ik er van. Te duur en ik heb echt maar een beetje nodig.
Vanuit het niets ploft er een briljant idee in mijn hoofd. De grens op nog geen boogscheut afstand is gebarricadeerd met metershoge bergen prachtig schoon zand. In de haast om de Hollanders buiten te houden is er niet beknibbeld.

Innig tevreden sta ik tien minuten later, want toch maar efkes de auto gepakt, mijn emmers vol te scheppen met het schoonste zand. Zo fijn, zo zacht. Je zou bijna een extra toertje doen om er thuis een berg van te maken voor ‘ je weet maar nooit’. Ik heb ook al bedacht wat ik ga zeggen als iemand vraagt wat ik daar toch doe.

Ik ruim de grensblokkades voor de gemeente op!


Als de nacht overdag wordt

Rebecca Louise is de eerste waar ik tegen praat, het is nog amper licht wanneer ik ingewikkelde oefeningen op mijn matje doe. Daarna, buiten in de polder, spreek ik met de kauwenjongen. Donsveertjes slordig en pluizig op de borst. Hun bek te groot voor het nog frêle lijf.

De zon die opkomt, het licht zo dun. Ik zou best alleen op de wereld kunnen zijn nu de mensen en het menselijke nog zo ver van mij is. Nou ja de hond, die is er natuurlijk wel maar zelfs die lijkt minder opdringerig.

Op de weg terug naar huis kom ik de krantenvrouw tegen. Flinke stapel onder de arm. Haar witte legging heeft zwarte strepen. Haar dag zit er bijna op. Kwart over drie, fluitje van een cent. Ik kan alleen maar zuinig knikken. Het holst van de nacht heeft voor mij niet de bekoorlijkheid die het kennelijk bij haar oproept.

Thuis doe ik een poging om koffie te zetten. De filter valt tijdens het opschenken met een flinke klap op de grond. Ik denk dat ik het voortaan in de ochtend bij Rebecca Louise hou.


Houdt goed uw Pasen

Fijn is het om te merken dat de stilte in de polder zo intens is. In de donkerste nacht hoor ik zelfs het stampen van de motoren van de schepen die hier op de Westerschelde passeren. Op deze eerste paasdag is het nog stiller dan anders. Ik besluit dat ik best kan wandelen in mijn pyjama. Er is een natuurgebied dat ik nog niet eerder verkende.

Ik klim over het hek, na een paar kilometer maakt het gras plaats voor brandnetels en stekels. Normaal lopen hier denk ik koeien die de boel kaalvreten maar die zijn nergens te bekennen. Het prikkeldraad wat moet voorkomen dat de beesten ontsnappen is wel dik in orde. Stevig en niet op te tillen zodat ik en mijn twee honden er tussendoor zou kunnen naar de andere kant van de dijk waar ik de weg weet.

Ik bedenk dat ik er onderdoor kan. Ik trap de prikkelachtige begroeiing plat en schuif op mijn rug stuk je voor stukje onder het prikkeldraad. Om te voorkomen dat ik mijn neus open haal druk ik mijn rug stevig tegen de grond. Het gaat net en zelfs de honden krijg ik er onderdoor gefrummeld.
mijn rug zit onder de jeukende brandnetelbulten. De stof van mijn pyjama is duidelijk niet bedoeld om in de wildernis te tijgeren.

Opgelucht over de hachelijke ontsnapping stap ik verder. Mijn grijze pyjama onder de groene vlekken en hier en daar een veeg ondefinieerbaar bruin. Ik hoop dat het aarde is. Er nadert een fietser. Het is de burgemeester en baas van de veiligheidsregio. We zwaaien opgewekt naar mekaar en checken in het voorbij gaan of we ok zijn. Hij steekt zijn duim op en ik ook.

Wellicht is het toch beter om voortaan deftige kleren aan te doen voordat ik de wereld in trek. Leer je in deze ingewikkelde tijden toch weer iets bij: Het is niet handig om in je pyjama door de wildernis te trekken en het is ook niet elegant om de burgervader van Terneuzen in je pyjama toe te zwaaien.


Het leven zoals het is

Normaal gesproken loop in gelukzalig te slenteren door de supermarkt. Ik doe maar wat, werp iets in mijn karretje, ontdek dan bij de koekjes dat ik nog geen paprika heb, sjok weer terug naar de groente, neem toch maar een droog worstje mee waar ik net nog gewoon langs stapte. Boodschappen doen is het hebben van tussentijd en een van mijn kleine genoegens.

Vandaag loop ik met mijn briefje in de hand iet wat gespannen tussen de rekken. Kom ik niet te dichtbij? Waarom staat die vakkenvuller daar zo onhandig en hoe halen die vrouwen het in hun hoofd om met zijn drieën midden in een gangpad te staan kletsen. Ik loop ook niet meer kriskras maar doelbewust want alles op mijn lijstje staat in volgorde van passeren. Niks geen tussentijd maar een soort hindernisbaan waar een gemiddelde militair jaloers naar zou kijken.

Enkel de slager staat nog op mijn lijstje. Ik hou niet van supermarktvlees dus ga ik naar een ouderwetse dorpsslager. Op zijn deur een groot papier waarop staat dat er maar een klant tegelijk binnen mag. Logisch mompel ik tegen mijzelf en stel me op de stoep. Een ouder echtpaar, diep in de tachtig, schuifelt zo voor me langs de winkel in. De vrouw wankelt en grijpt zich overal aan vast. Ik ben zo verbaasd dat ik alleen maar gefascineerd kan toekijken wat er gebeurt.
De slager neemt toch hun bestelling op. Wanneer hij ze uitwuift roept ie mij binnen. Hij moet er van zuchten. Met liefde zou hij hun bestelling opnemen en thuis bezorgen. Hij schat in dat duidelijk maken dat ze buiten moeten wachten langer zal duren dan een pond gehakt in een zakje doen.

Living on the edge…..soms is er niet veel voor nodig. Thuis sta ik net zo lang voor de deur te krijsen tot Ries de deuren open komt doen. Zonder iets aan te raken snel ik naar de kraan en was twee keer achter elkaar mijn handen!


Het leven zoals het is

Het overgebleven stukje taart staat bij thuiskomst op me te wachten. Afgelopen weekend gebakken: Knapperige notenkorst, romige yoghurt en een laag bosvruchten met verse bramen. Na twaalf kilometer stappen laat ik het me goed smaken. Bijna bij het laatste hapje, het stuk waar een enorme braam op ligt, zie ik schimmel, redelijk veel schimmel. Geen idee of het ook op het stuk zat waar ik net zo smakelijk van zat te smikkelen.

Ik hou van handwerken, er staat altijd wel een breiwerkje op. Vaak wel drie tegelijk. Zo had ik jarenlang de trui die nooit afkwam en is daar de ene sok die een heel leven lang tevergeefs wacht om een paar te worden. Vorig jaar op vakantie begon ik aan een mosgroen vest. Tof model en dan ook nog in mijn lievelingskleur. Nu met het thuiszitten en werken zou ik het vest afmaken. Eindelijk zijn ook de mouwen af. Opgetogen en met veel goesting doe ik het deksel van de houten kist open waar al mijn wol en ook de rest van het vest in bewaard wordt. In de kist beweegt van alles. Van schrik gooi ik het deksel dicht. Na het verzamelen van moed en een vermoeden van mot doe ik het deksel opnieuw open. Al mijn wol en de stukken vest worden hier onder mijn ogen omgezet in voedsel en kraamkamer voor motten. Geen redden meer aan. De inhoud gaat in de vuilnisbak en de kist gooi ik chagrijnig in het houthok.

Dan maar koffie, eerst malen, in het filterzakje in de koffiefilter, water koken. Het is een geruststellend ritueel. De eerste keer opgieten, de filter vol kokend water. Ik zet ondertussen efkes de bus met koffiebonen terug op de plak. Met een flinke tik raak ik met de bus de filter. Die zwiert elegant van de koffiepot. In zijn val probeer ik de filter te redden. Een flinke gulp kokende koffie stroomt over mijn hand. De koffiefilter stuitert van de prullenbak op de grond. De spetters vormen een woest patroon op mijn muren, vloer en schorten die in de buurt hangen.

Voor vandaag geef ik het op. Doodstil ga ik op de bank zitten om naar een hersendode serie op tv te kijken. Die zijn er tenslotte in overvloed.