Te mooi om te laten liggen

Er woont een mol onder mijn terras. Blijkbaar een beest met enorme graafdrang. Langzaam zie ik mijn stoeptegels een voor een verzakken. Het wiebelt akelig wanneer ik er op sta. Ik ben bang dat mijn terras nog in een gat in China boven de grond komt als ik niks doe.

Er moet zand of grond onder. Op de fiets, met in elke fietstas een emmer ga ik op queeste voor zand. Het enig wat ik vind zijn mottige keiharde hompen molshoop met onkruid er op. Dat lijkt me geen optie voor het smetteloos terras dat ik voor ogen heb.

Met lege emmers keer ik huiswaarts. Zittend aan tafel met een kop thee kijk ik op de site van de plaatselijke bouwmarkt. Chanegrijnig word ik er van. Te duur en ik heb echt maar een beetje nodig.
Vanuit het niets ploft er een briljant idee in mijn hoofd. De grens op nog geen boogscheut afstand is gebarricadeerd met metershoge bergen prachtig schoon zand. In de haast om de Hollanders buiten te houden is er niet beknibbeld.

Innig tevreden sta ik tien minuten later, want toch maar efkes de auto gepakt, mijn emmers vol te scheppen met het schoonste zand. Zo fijn, zo zacht. Je zou bijna een extra toertje doen om er thuis een berg van te maken voor ‘ je weet maar nooit’. Ik heb ook al bedacht wat ik ga zeggen als iemand vraagt wat ik daar toch doe.

Ik ruim de grensblokkades voor de gemeente op!


Als de nacht overdag wordt

Rebecca Louise is de eerste waar ik tegen praat, het is nog amper licht wanneer ik ingewikkelde oefeningen op mijn matje doe. Daarna, buiten in de polder, spreek ik met de kauwenjongen. Donsveertjes slordig en pluizig op de borst. Hun bek te groot voor het nog frêle lijf.

De zon die opkomt, het licht zo dun. Ik zou best alleen op de wereld kunnen zijn nu de mensen en het menselijke nog zo ver van mij is. Nou ja de hond, die is er natuurlijk wel maar zelfs die lijkt minder opdringerig.

Op de weg terug naar huis kom ik de krantenvrouw tegen. Flinke stapel onder de arm. Haar witte legging heeft zwarte strepen. Haar dag zit er bijna op. Kwart over drie, fluitje van een cent. Ik kan alleen maar zuinig knikken. Het holst van de nacht heeft voor mij niet de bekoorlijkheid die het kennelijk bij haar oproept.

Thuis doe ik een poging om koffie te zetten. De filter valt tijdens het opschenken met een flinke klap op de grond. Ik denk dat ik het voortaan in de ochtend bij Rebecca Louise hou.


Houdt goed uw Pasen

Fijn is het om te merken dat de stilte in de polder zo intens is. In de donkerste nacht hoor ik zelfs het stampen van de motoren van de schepen die hier op de Westerschelde passeren. Op deze eerste paasdag is het nog stiller dan anders. Ik besluit dat ik best kan wandelen in mijn pyjama. Er is een natuurgebied dat ik nog niet eerder verkende.

Ik klim over het hek, na een paar kilometer maakt het gras plaats voor brandnetels en stekels. Normaal lopen hier denk ik koeien die de boel kaalvreten maar die zijn nergens te bekennen. Het prikkeldraad wat moet voorkomen dat de beesten ontsnappen is wel dik in orde. Stevig en niet op te tillen zodat ik en mijn twee honden er tussendoor zou kunnen naar de andere kant van de dijk waar ik de weg weet.

Ik bedenk dat ik er onderdoor kan. Ik trap de prikkelachtige begroeiing plat en schuif op mijn rug stuk je voor stukje onder het prikkeldraad. Om te voorkomen dat ik mijn neus open haal druk ik mijn rug stevig tegen de grond. Het gaat net en zelfs de honden krijg ik er onderdoor gefrummeld.
mijn rug zit onder de jeukende brandnetelbulten. De stof van mijn pyjama is duidelijk niet bedoeld om in de wildernis te tijgeren.

Opgelucht over de hachelijke ontsnapping stap ik verder. Mijn grijze pyjama onder de groene vlekken en hier en daar een veeg ondefinieerbaar bruin. Ik hoop dat het aarde is. Er nadert een fietser. Het is de burgemeester en baas van de veiligheidsregio. We zwaaien opgewekt naar mekaar en checken in het voorbij gaan of we ok zijn. Hij steekt zijn duim op en ik ook.

Wellicht is het toch beter om voortaan deftige kleren aan te doen voordat ik de wereld in trek. Leer je in deze ingewikkelde tijden toch weer iets bij: Het is niet handig om in je pyjama door de wildernis te trekken en het is ook niet elegant om de burgervader van Terneuzen in je pyjama toe te zwaaien.


Het leven zoals het is

Normaal gesproken loop in gelukzalig te slenteren door de supermarkt. Ik doe maar wat, werp iets in mijn karretje, ontdek dan bij de koekjes dat ik nog geen paprika heb, sjok weer terug naar de groente, neem toch maar een droog worstje mee waar ik net nog gewoon langs stapte. Boodschappen doen is het hebben van tussentijd en een van mijn kleine genoegens.

Vandaag loop ik met mijn briefje in de hand iet wat gespannen tussen de rekken. Kom ik niet te dichtbij? Waarom staat die vakkenvuller daar zo onhandig en hoe halen die vrouwen het in hun hoofd om met zijn drieën midden in een gangpad te staan kletsen. Ik loop ook niet meer kriskras maar doelbewust want alles op mijn lijstje staat in volgorde van passeren. Niks geen tussentijd maar een soort hindernisbaan waar een gemiddelde militair jaloers naar zou kijken.

Enkel de slager staat nog op mijn lijstje. Ik hou niet van supermarktvlees dus ga ik naar een ouderwetse dorpsslager. Op zijn deur een groot papier waarop staat dat er maar een klant tegelijk binnen mag. Logisch mompel ik tegen mijzelf en stel me op de stoep. Een ouder echtpaar, diep in de tachtig, schuifelt zo voor me langs de winkel in. De vrouw wankelt en grijpt zich overal aan vast. Ik ben zo verbaasd dat ik alleen maar gefascineerd kan toekijken wat er gebeurt.
De slager neemt toch hun bestelling op. Wanneer hij ze uitwuift roept ie mij binnen. Hij moet er van zuchten. Met liefde zou hij hun bestelling opnemen en thuis bezorgen. Hij schat in dat duidelijk maken dat ze buiten moeten wachten langer zal duren dan een pond gehakt in een zakje doen.

Living on the edge…..soms is er niet veel voor nodig. Thuis sta ik net zo lang voor de deur te krijsen tot Ries de deuren open komt doen. Zonder iets aan te raken snel ik naar de kraan en was twee keer achter elkaar mijn handen!


Het leven zoals het is

Het overgebleven stukje taart staat bij thuiskomst op me te wachten. Afgelopen weekend gebakken: Knapperige notenkorst, romige yoghurt en een laag bosvruchten met verse bramen. Na twaalf kilometer stappen laat ik het me goed smaken. Bijna bij het laatste hapje, het stuk waar een enorme braam op ligt, zie ik schimmel, redelijk veel schimmel. Geen idee of het ook op het stuk zat waar ik net zo smakelijk van zat te smikkelen.

Ik hou van handwerken, er staat altijd wel een breiwerkje op. Vaak wel drie tegelijk. Zo had ik jarenlang de trui die nooit afkwam en is daar de ene sok die een heel leven lang tevergeefs wacht om een paar te worden. Vorig jaar op vakantie begon ik aan een mosgroen vest. Tof model en dan ook nog in mijn lievelingskleur. Nu met het thuiszitten en werken zou ik het vest afmaken. Eindelijk zijn ook de mouwen af. Opgetogen en met veel goesting doe ik het deksel van de houten kist open waar al mijn wol en ook de rest van het vest in bewaard wordt. In de kist beweegt van alles. Van schrik gooi ik het deksel dicht. Na het verzamelen van moed en een vermoeden van mot doe ik het deksel opnieuw open. Al mijn wol en de stukken vest worden hier onder mijn ogen omgezet in voedsel en kraamkamer voor motten. Geen redden meer aan. De inhoud gaat in de vuilnisbak en de kist gooi ik chagrijnig in het houthok.

Dan maar koffie, eerst malen, in het filterzakje in de koffiefilter, water koken. Het is een geruststellend ritueel. De eerste keer opgieten, de filter vol kokend water. Ik zet ondertussen efkes de bus met koffiebonen terug op de plak. Met een flinke tik raak ik met de bus de filter. Die zwiert elegant van de koffiepot. In zijn val probeer ik de filter te redden. Een flinke gulp kokende koffie stroomt over mijn hand. De koffiefilter stuitert van de prullenbak op de grond. De spetters vormen een woest patroon op mijn muren, vloer en schorten die in de buurt hangen.

Voor vandaag geef ik het op. Doodstil ga ik op de bank zitten om naar een hersendode serie op tv te kijken. Die zijn er tenslotte in overvloed.


Slons

Normaal gesproken draag ik een deftig kleedje, liefst iets met zwier, bloemen en kant. Door al het thuiswerken heb ik ontdekt dat het hebben van veertig jurken zwaar overdreven is. Een pyjama en een slobberige tuinbroek is al wat een mens nodig heeft.

In de ochtend zit ik achter mijn scherm, ongewassen, dampende beker koffie, op blote voeten en mijn haar in een rommelige knot. Meestal bestaat mijn nachtkledij uit een oude lange onderbroek en een shirt met ergens een gat of een vlek die er nooit meer uit gaat. Met een beetje geluk ga ik in de middag met de hond naar buiten of werk ik in de tuin. Mijn ouwe jaren tachtig jeans salopette is dan kei handig. Genoeg zakken voor de telefoon of een kniptang, nooit een koude rug en niemand die achter mijn stevige klep ziet dat ik vandaag alweer geen bh aan heb.

wanneer ik tegen een uur of zes ontdek dat ik een onmisbaar ingrediënt voor het avondeten mis spring ik met rare tuinbroek in de auto naar de winkel. Het meisje achter de kassa is beeldschoon, zij heeft duidelijk wel haar best gedaan. Nagels gelakt, deftige kleren, leuk haar en goeie lipenstift. Wanneer ik mijn bankkaart op het pinapparaat leg zegt ze: mevrouw wat heeft u een fantastische broek aan. Het staat u geweldig!


Boodschap

Een ware volksverhuizing is er aan de gang. We slepen met tapijten, stoelen en kastjes. Een tafeltje met drie piepkleine plantjes wordt decoratief neergezet. De tafel gaat eruit en de enorme bank uit de zaal wordt pontificaal in het midden van de kamer gezet.

We hebben tv! Ik verheug me enorm. Jaren deden we zonder tot grote tevredenheid. Nu ben ik plots als een kind zo blij met het vooruitzicht van de zipper in mijn hand en eindeloos surfen langs de kanalen. Is het door het eindeloos binnen zitten, de nood aan informatie nu ik de rechtstreekse speech van Rutte en onze koning miste of ben ik gewoon op zoek naar het veilige gevoel van vroeger van met een bakje chips voor de tv?

Na het avondeten is het zover. Met thee en de hond op schoot ben ik de baas over de tv. Ademloos kijk ik naar een oudere man in een roze konijnenpak die drie mevrouwen in bed koffie brengt en naar weggebruikers die een overtreding begaan en dan worden aangehouden door de politie.

De afgelopen jaren is er een wereld aan me voorbij gegaan, dat is zeker!


Het leven zoals het is

Onrustig gestommel in de gang wekt me uit een diepe slaap. Het duurt echt wel even voor het tot me doordringt dat er is iets aan de hand is. Ries loopt heen en weer en maakt vreemde geluiden. Pijn fluistert hij tussen twee hijgende ademhalingen door. Zijn hand grijpt naar zijn onderrug.

Wanneer ik bel met de spoed wordt uit het verhaal al snel duidelijk dat het zal gaan om nierkoliek. Er zit een steen, die moet eruit, de doorgang is te smal. Alle soorten pijnstillers die we in huis hebben mogen gebruikt en dat doen we met gulle hand. Het helpt niks.

We gaan naar de dokter met een plasje in de pot waar normaal mijn brandnetelthee in zit, die was net op. Zo gemakkelijk is het niet om om vier uur in de nacht adequaat te reageren wanneer een telefoniste je sommeert urine mee te nemen. De pot gaat in mijn tas want de patiënt kan amper zichzelf recht houden. Hij ziet grauw van de pijn.

We worden allerliefst ontvangen. De dokter vraagt en knikt meelevend wanneer er verhaalt wordt over de vreselijke koliek. Of ie de urine mag. Wanneer ik mijn hand in mijn reusachtige schoudertas steek voel ik dat de pot misschien wel goed was voor brandnetelblaadjes maar dat urine een andere fluiditeit heeft waartegen de pot niet zo goed is opgewassen.

Twee injecties die de pijn tegen moeten gaan en alles wat we in huis hebben mag gebruikt om de pijn te kunnen hanteren. Voor we naar buiten gaan krijgt Ries nog instructie om in een koffiefilter te plassen om te controleren of er gruis dan wel steen mee komt. Ik ben niet genoeg bij de tijd om adrem te reageren maar ik weet: Deze man giet beslist nooit de koffie op.

Eenmaal thuis blijkt mijn gelijk. De dringende plas van een volwassen man past niet in één koffiefilter, daarvoor loopt ie te langzaam door!


Eigen mensen

Mijn werkplek is het oude ziekenhuisbureautje van de zuster ergens uit de jaren vijftig. Er zit een speciaal scherm aan de onderkant, anders kan je zo onder het uniform gluren wanneer de zuster in een onbewaakt ogenblik haar benen niet netjes over elkaar slaat.

De zon schijnt door de ramen warm naar binnen. Behaaglijk is het hier. Fijner ook dan op mijn werkplek in onze kantoortuin waar het altijd rumoerig en druk is. Ik mag daar nu efkes niet komen. Een kuch en voorschriften houden me thuis. Ik ruim de lades van het bureautje op. Want gezelliger mag het hier zijn: er is wel beduidend meer rommel dan in mijn bureau op het werk.

Tussendoor werp ik een blik op social media. Waar ik lees dat bange mensen niet alleen al het wc papier en houdbaar voedsel massaal in slaan maar ze die spullen ook enkel gunnen aan “eigen mensen”. Ze vinden het niet meer dan redelijk dat Europa en Nederland de mensenrechten van medemensen op de vlucht schenden. Dat vinden ze altijd al maar nu gebruiken ze de crisis met het akelige Corona virus om hun denkbeelden te rechtvaardigen.

Ik kan het niet begrijpen en wat er meer van is ik wil er ook geen begrip voor opbrengen. Wat ik wel zal doen is nog een keertje uitleggen: Zwarte Piet bestaat niet, het is je verklede buurman. Eigen mensen bestaan ook niet, het is gewoon een andere versie van jezelf!


Welkom

In het donkerst van de nacht wordt ik wakker omdat de koorts door mijn lijf giert. Ondanks dat mijn vel aanvoelt als een oververhit kacheltje ril ik van de koude. Naast mijn bed brandt het oranje lichtje van het stekkerblok best troostrijk. Het doet me denken aan Rens die elke keer wanneer hij bij me op bezoek kwam een preek hield over het gevaar van spontaan in brand vliegende stekkerdozen en apparaten. Mijn lieve collega Rens is lang geleden overleden maar in deze nacht mompel ik in mijn verwarde toestand dat ik straks echt alles uitzet.

Op dit uur, in deze situatie lijkt doodgaan geen denkbeeldige optie.

Wat zal mijn oma opgetogen zijn. Ik hoor haar al zeggen: Wat ben ik blij om je stemmetje te horen
Louis die in zijn handen wrijft en me verzekerd dat alles goed komt. Wel ja!
Yvonne die zich niks aantrekt van isolatie of besmetting en me snel bij de hand neemt om me te omhelzen en roept dat ik ook niet zo lang moet doorwerken. Dit krijg je er nu van.
Dini die gewoon weer in volzinnen praat en me stevig zal vastnemen en liefje tegen me zegt.
En Rens natuurlijk die ik eindelijk kan uitlachen omdat ik niet gestikt ben in de rook van een in de nacht spontaan afgebrande tv.

Uiteindelijk komt de ochtend met het licht en laat ik de stemmen van de nacht los. Ik maak thee en zwaai mijn dode vrienden uit!