Eenhapskuiken

Vier kuikens, aandoenlijk nog, met hier en daar een dons die zorgt voor het potsierlijke prehistorisch voorkomen. In de verte doen ze me aan een verlepte mini dinosaurus denken. Ik hou niet van kippen maar wat zou de de boerenbuiten zonder  vers eitje zijn. Dankbaar laat ik me de kuikens kado doen.

Ze komen in een kattenmandje en stjilpen de longen uit hun lijf. Eerst waren ze met acht, de ratten sloegen hun slag in de wrede Schoondijkse polder.  Ik beloof plechtig goed voor de overlevers te zorgen. We drinken er een frisse pint op en installeren de beesten in hun riant onderkomen.

De logeerhond komt. Zij ligt de hele dag met zijn snuit tegen het gaas gedrukt. Zachtjes jankt ze de kipjes toe. Die komen na een week nog steeds niet uit hun stenen burght. Hun immense weide ligt er verlaten bij. Ik besluit in te grijpen en overwin mijn weerstand om een kuiken aan te raken. Zonder pardon grijp ik ze en duw ze door hun luik.

Na een dag of wat begrijpen ze het concept en hippen vrolijk uit en in hun nachthok. Ik spreek de hond streng toe, een betoog over eeuwige verbanning en bloedvergieten. Ik geloof dat ze het snapt.

Deze morgen voer ik het ritueel van klep open, aanmoedigende tok geluiden, het wuiven met mijn hand als de laatste van de vier de sprong naar de buitenwereld waagt al met enige routine uit. Tevreden  over mijn boerinnen vaardigheden rommel ik wat in huis.

Een enorm gekrijs haalt me uit de zondagmorgenzen. Ik zie hoe de logeerhond door de wei rent. Bek vol zwarte veren. Vloekend en tierend ren ik er achteraan. De hond geschopt en verketterd laat beschaamd de buit vallen.

Twee kipjes morsdood, een kwijt en de ander in shock rent rondjes, keihard.

Als het Kindeke komt, ik in geur en kleur het verhaal doe en de overgebleven kip bekijk zegt ze: Dat is de haan, die zouden we toch opeten.


Philibert

Jammerlijk ligt de dode duif beneden aan de buitenlift. Een armzalig hoopje dons en veren, het naakte blauwgrijze vel schemert er doorheen. Met een plasticzak rond mijn hand pak ik het lijk om in de vuilniszak te dumpen.

Boven mijn hoofd, op een dunne metalen lat hangt het nest of wat er voor moet doorgaan. Drie takken, scheefgezakt en wiebelig, de ouders zitten op de massieve lift en kijken hoe het enige nog overgebleven jong probeert zijn evenwicht te houden.

Morgen raap ik vast het andere jong ook van de grond. De overlevingskansen van deze sukkelige familie lijken me nihil.

Wanneer ik de volgende dag veel te vroeg mijn metalen trap afdaal zie ik iets bewegen. Een rat is het eerste wat in me opkomt. Bij nadere inspectie blijkt het duivenjong nummer twee die monter van links naar recht over mijn binnenplaats stapt.

Amper veren maar met vinnige passen en heldere ogen ziet ie er potsierlijk uit. De ouders in geen velden of wegen te bekennen leg ik de plastic grijpzak alweer klaar. Bij thuiskomt, aan het einde van de dag zit ie er nog. Het ouderpaar, blijkbaar minder ontaard  dan ik dacht, voedert fanatiek.

Philiberke hupt binnen bij de gitaarbouwer waar hij keihard mee tjilpt, hij schuift op met het warme plekje zon op de binnenplaats en schuifelt rond onze voeten als de planten water krijgen. We raken aan het beest gehecht en het beest aan ons.

Nu is Philibert weg. We hopen op het wonder van de vlucht.


Lieve Mimi

Wat moet je doen als het condoom knapt? Kan je ziek worden van sperma drinken? Al vijf jaar ben ik verliefd op jongen maar hij ziet me niet staan, wat moet ik doen? Ik krijg de vragen keurig thuis gestuurd. De jongeren zitten ergens op de boerenbuiten te wachten op de antwoorden die ik ze zou moeten geven.

Op weg met mijn koffer vol informatie en aanschouwelijk-onderwijs-attributen ga ik op weg. Ik heb thuis nog wel efkes moeten opzoeken op welke leeftijd je volgens de Belgische autoriteiten aan seks mag doen. Gerustgesteld door mijn goede voorbereiding sta ik aan de balie van de school om uit te leggen waarvoor ik kom.

Ik word naar een grote zaal gebracht. Een podium, een microfoon en tachtig leerlingen. Met open mond bezie ik de meute. De leerlingen eten snoep, kijken op hun telefoon, hangen over elkaar heen.

Ik vind mezelf terug op het podium terwijl ik uit alle macht, zelfs met microfoon ben ik nauwelijks verstaanbaar in deze galmende schoolgrot, sta te roepen dat het grootste gevaar van sperma drinken misselijkheid is.

 


Knak

De koffie met opgeklopte melk staat uitnodigend te wachten op de ontbijttafel. Ik probeer me te laten zakken op de stoel. Mijn benen willen niet buigen. Ik denk, nee ik weet zeker, dat mijn bovenbenen zullen breken als ik doorga met de poging om te gaan zitten.

De sportschool op woensdagmiddag is rustig, de jongen tegenover me moedigt me enthousiast aan. Hij steekt van pure vreugde zijn twee duimen in de lucht als ik de bal van zeven kilo moeiteloos twaalf keer de lucht in duw. Ik buig en strek in series van twaalf. Allemaal reuze anatomisch verantwoord want dit is wel revalidatie fitness. Ik ga hier serieus mijn chronisch ontstoken achillespees te lijf.

Na een half uur ben ik klaar, kei-tevreden ben ik. Ondanks de maanden van amper bewegen rollen mijn spieren nog soepel en doen hun ding. De jongen die me een half uur lang toejuichte bij elke correct uitgevoerde oefening zakt een beetje door zijn knieën en heft zijn rechterhand op, palm naar voren. Verschrikt kijk ik rond me, moet ik nog iets ingewikkelds doen, heb ik in mijn opluchting dat de sessie overleeft is iets over het hoofd gezien?

Langzaam gaat het licht aan: Ahhhh, high-five!


Alles is winst

D’r uit, d’r uit. De man die nauwelijks tot aan mijn oksel komt wijst met zijn hand richting deur. Terwijl hij roept vliegt er spuug uit zijn mond. Vol verbazing sta ik. Je komt er nooit meer in!

We hebben geen woorden nodig om te weten dat we weg willen. Het schelden gaat onverminderd voort: Viespeuk, viespeuk, jij komt er ook niet meer in.  

Het Kindeke, net wakker want ze sliep zo lekker in de auto, kijkt met bange ogen van de een naar de ander. Ze slaat haar armpjes stevig rond mijn nek als ik haar op pak om de spugende man van dienst te zijn en naar buiten te stappen.

Nu zit ze stralend op het paard, mijn mooie kleindochter van vijf. Fier rechtop met losse handen wiegt ze mee met de stap van het paard. Af en toe krijgt het dier een klopje op de nek of roept ze met gebiedende stem om de orde te bewaren.

We stappen en we kletsen. Het is wel jammer he dat Dini is gestorven, daar hebben we zeker allemaal wel spijt van? Ik knik bevestigend en slik mijn tranen weg.

Gelukkig hebben we elkaar  nog. Ze zucht van tevredenheid


Fris

Populair is de zaak waar ik op zondagmiddag mijn koffie drink. Er moet zelfs gewacht worden voordat ik een piepklein tafeltje aan het raam kan bemachtigen. De mensen die er komen zijn hip, een politica van Groen leest de krant, een bekende Gents muzikant werkt op zijn tablet.

De meisjes achter de toog hebben de juiste vintage jurken aan, de jongen een voorgeschreven baard. Ik heb goed zicht op het gedrang achter de bar die eigenlijk net te krap is om te werken.

Ik drink kleine slokjes van mijn latte, en neem de toestand in de wereld door met mijn liefste vriend. Bij het opschuimen van melk gaat iets mis, het spat over de grond. Het meisje in de korte blauwe jurk pakt een doekje om het weg te poetsen. Ze gaat met het zelfde doekje over de bovenkant van de bar.

Ze praat ondertussen met de baardman. Achteloos gaat haar hand met het doekje over de koffiemachien. Als laatste poets ze het opschuimpijpje voor de melk blinkend.


Old Fasion

In het volle licht hou ik me staande en is het idee dat we je begraven even abstract als onbegrijpelijk. De rieten mand met daarin je lichaam, gewikkeld in doeken, een gegeven waar ik samen met jou slechte grappen over zou kunnen maken.

Hoe donkerder het uur hoe levendiger mijn dromen: Mijn haar valt uit, ik zit aan het stuur van een bus die ik niet kan remmen, keihard roepend en niemand  wil het horen. Ik sta op om thee te drinken en het nog eens te proberen.

Voor het eerst fiets ik weer een stukje door de stad. De felle zon laat mijn ogen tranen, witte wolkjes adem ik uit, een stoomtrein goed op koers. Vingers tintelen, handen prikken van de koude winterlucht. In mijn hart draag ik je mee.

 


Niks

Hoe dichter jij bij het sterven komt hoe driftiger ik jou wil laten leven. Ik zou je willen zeggen dat we toch lachen tot de tranen ons over de wangen lopen, dat we elkaar knuffelen en zoenen, dat Het Kindeke zo hard moet lachen als je de woorden niet vindt.

Het lekkere eten waar je zo van geniet, ons glaasje wijn na vijven, je hand in die van mij en zo veel mensen om graag te zien.

Ik zeg het allemaal niet, ik val je niet lastig met mijn obsessie voor je leven.

In mijn ziekenhuisbed gebonden aan toeters en snoeren en niet in staat te spreken kon ik een sprankje van je wanhoop voelen. Hoe je opgesloten in een log lijf, niet in staat te communiceren de eenzaamheid moet omarmen. Dat niemand echte verlichting kan brengen en dat liefde niet vermag waar ze in de boekskes zo voor wordt geprezen.

Ach hoe graag ik zou willen dat je bleef leven. Ik val je niet lastig. De last van sterven is al zwaar genoeg.


Beestachtig

Ik ben er vast van overtuigd, dit gaat kei veel pijn doen. Al wachtend op de harde stoel wordt de naald steeds groter en voel ik angstig aan mijn hals. Eindelijk aan de beurt heb ik me zo druk gemaakt dat de bange gedachten allemaal verdwenen zijn, een mens kan tenslotte niet eindeloos zitten hyperventileren.

De oudere man in de witte jas boezemt vertrouwen in. Ik waan me in goede handen. Stap voor stap legt hij uit wat hij doet: Kijken met de echo waar hij precies moet prikken. Behoedzaam gaat hij te werk. Met een trefzekere beweging duwt hij de naald op de plek waar hij moet zijn, schuin naar beneden, achter mijn sleutelbeen in iets wat achter mijn schildklier zit en daar niet zou moeten zitten.

Als het klaar is vraagt hij of het draaglijk was, er zit een groot gezwel wat er uit moet en dat ik over twee weken naar de arts kan voor de uitslag van de punctie. Opgelucht stap ik van zijn tafel. Viel reuze mee.

Als ik thuis kom zie ik mijn buurvrouw rommelen op het balkon. Ik wens haar vrolijk een gelukkig nieuwjaar. Ze doet haar koptelefoon af en houdt het hoofd een beetje schuin. Ik herhaal mijn zin. Ze knikt met haar hoofd en gromt.

Soms lijkt mijn leven een eenakter speciaal voor mij opgevoerd.

 


Voeling

Ik ben hoog gevoelig. De vrouw loopt achter me, veel dichter dan ik prettig vind. Ik ben ook nog helder voelend en helder horend. De woordenbrij vloeit uit haar mond als een roodgloeiende stroom lava. Ik zou er liever zo ver mogelijk vandaan blijven.

Ze heeft dit al vaak verteld, zonder haperen gaat ze op in haar verhaal. De problemen die het met zich mee brengt want afschermen voor al die energie van de levende wezens om haar heen valt zwaar. Daarom kan ze vaak niet echt in contact zijn met zichzelf.

Ze kijkt me af en toe aan maar ik hoef niks te vertellen of te vragen. Ik verlang naar het einde van de wandeling, versnel mijn pas om te ontsnappen aan de klaagzang en het geneuzel.

Ik ben namelijk alleen maar verdrietig, mijn vriendin gaat dood, het komende gemis zit in al mijn botten. Liever zou ik alleen stappen om met elke voetafdruk een beetje van mijn toekomstige tranen achter te laten. Een kleinduimpje spoor voor later, als ze er niet meer is.

De vrouw die geen notie heeft van wie ik ben geeft me goede raad over hoe ik het beste om kan gaan met mijn emotie: Je bent zo afstandelijk, ver weg van je ziel en je gevoel. Je moet af en toe ook eens naar jezelf durven kijken hè.

Kijk, ik stap liever naast de weg, dan heb ik meer contact met moeder aarde. Zeer tevreden met zichzelf loopt ze in de laag stof en steentjes. Behendig ontwijkt ze een leeg pakje waar ooit iets drinkbaars in zat.

Langzaam maar zeker verander ik in de ijspegel die ze van mij maakt. Zij stapt doof en blind.