Maandelijks archief: december 2013

Nakendig

Voor het naar bed gaan leg ik twee warme kruiken in bed. Twee lagen dekbed en een schapenvacht op de matras houden me hopelijk warm deze nacht. Voor ik naar bed ga duw ik donkere zware briketten in de houtkachel, mijn hoop op snelle ontbranding in de bitter koude morgen.

Het naarbedgaritueel is geheel gericht op het behoud van lichaamswarmte. Ik drink een hete tas thee, warm mijn ouwe trainingsbroek en dikke trui boven de kachel. In de gloed van de stoof trek ik mijn kleren uit en mijn voorverwarmde expeditiekleding aan. Dan ren ik op mijn sloefen naar het buitentoilet: Een groene deur met hartje, een plank met een gat dat afgedekt wordt met een deksel met als greep een delfts blauw knopje, geen licht!

Putje winter, putje nacht zit ik daar en kijk met open deur naar de sterren en mijn adem die wolkjes maakt.

Terwijl ik mijn broek terug aan doe hoor ik snuiven en kreunen. Mijn hart klopt keihard, ik voel het bloed in mijn oren suizen. Daar is het geluid weer, het komt vanachter de muur van mijn kleine huisje. Ik schat de afstand naar mijn deur en probeer te berekenen hoe lang het zal duren voor ik die achter me op slot kan doen.
Zo sta ik daar met mijn mond open zo stil mogelijk in en uit te ademen.

Het moet een mens zijn die zich blijkbaar van mijn aanwezigheid weinig aantrekt want het geluid gaat ritmisch en gestaagd door. Zou het de meedogenloze bijlmoordenaar van Het Meetjesland zijn? Het dichtsbijzijnde huis te ver weg om hulp te roepen zal ik zelf voor een oplossing moeten zorgen.
Al mijn moed bijeen geraapt stap ik de wc uit. De handen hou ik los langs mijn lijf, elke zenuw straks gespannen, klaar om in de aanval te gaan.

Met een ruime boog ga ik de hoek om en sta oog in oog met mijn verstandelijk behinderde buurman die met zijn broek op zijn knieën, blijkbaar geen last van de koude, druk met zichzelf in de weer is.

De volgende ochtend ontdek ik een uitgesleten pad van zijn huis naar het mijne.


Gruwelijk

Vanuit mijn gammele auto sprint ik naar de achterdeur, kind onder de arm. Ik spied als een arend de omgeving af en zie vanuit mijn ooghoek het beest met driftige passen naderen. De deur die ik in zeven haasten achter me dicht zwiep laat een doffe dreun.
Ik haal opgelucht adem terwijl ik vanachter het vensterglas toekijkt hoe hij met zijn donkere oranje en glanzend bruine veren gepikeerd weg stapt, terug den hof in.

Zodra hij de klink van de deur hoort zie ik hem met gestrekte staart en in stevige pas richting huis rennen, ik stel het bezoek aan de wc, die nog buiten is, zo lang mogelijk uit. De sporen aan zijn poten zijn klaar voor het gevecht en als hij bij hoge uitzondering leper en sneller is dan ik springt ie hoog in de lucht met zijn poten vooruit naar me toe.
Mij rest dan enkel hysterisch gegil tot iemand me kom redden.

De polder rond mijn woonst is uitgestrekt en leeg, ik wens de haan een lang en gelukkig leven ver van mij. Als om te tergen hangt ie als een lusteloze jongere de hele dag in de buurt om het spel van de onverwachte snelle aanval te perfectioneren.

De dag komt dat ik het kind aan een hand heb en twee volle boodschappen tassen in de andere. Traag als ik ben zie ik het beest te laat de hoek om komen. Hij springt pardoes boven op de dappere kleine ridder aan mijn zijde. Dat is er te veel aan. In plaats van het gebruikelijke hysterisch gedoe schiet ik in een kolere. De haan krijgt een enorme oplawaai met de stok die voor noodgevallen aan de deur staat.
Versuft tolt hij rondjes terwijl ik hem voorbijsnel naar het veilige warme van mijn huis.

In plaats van het verwachte dood neer te gaan liggen wankelt ie de bosjes in. Ik check om het kwartier zijn status en concludeer na een uur of wat dat de klap niet hard genoeg is en dat ie nu wel heel boos zal zijn.
Ik bel mijn vader en barricadeer het huis. Als de bebloede bijl tegen de muur van het huis gezet wordt schenk ik me met bevende handen een borrel in.


Water

Kom eens hier en stel u wijdbeens. Gehoorzaam soppen mijn laarzen door de modder tot bij hem. Ik draai me om en zet me in het kommetje van zijn armen. Het fototoestel klikt en zoemt ergens bij mijn rechteroor.
Adem in, adem uit, probeer ik mijn hele lijf rots te maken, doodstil sta ik daar en voel een droefheid die niet de mijne is.

Een uil wiekt uit de boom, het silhouet helder tegen de nachtelijke hemel. Ergens jankt een hond. We zingen een lied, of beter gezegd: Ik luister en neurie terwijl de tekst vorm krijgt. Er valt een ster en ik doe een wens.

Kom laten we een statief halen!


Pats

IMG_1652
De zoen beland ergens bij mijn oor, per ongeluk wellicht, maar het effect is even groots als ware het een geplande actie om de startknop van de film in mijn hoofd te activeren.
Ik was iets buitengewoon interessants aan het vertellen denk ik.

Als ik thuis kom, nog een beetje van mijn melk door zulke vreemde gedachten, miauwt de poes klaaglijk vanachter de internetverbinding welkom terug.


Nachtelijk

IMG_9819
Met twee benen een beetje uit elkaar, voeten stevig op de grond sta ik met de grote zweep in mijn hand. Ik aarzel een fractie van een seconde voor ik mijn hand kantel en de zweep laat knallen. Ik geniet van het droge geluid dat vanuit niks ergens in de lucht lijkt te ontstaan.
Met de knal ontlaad de knoop ergens ter hoogte van mijn middenrif, wie weet ben ik een natuurtalent..


Hoofdelijk

IMG_1716
Ik zucht van genot als ze mijn hoofd in haar handen neemt, haar vingers die mijn nek masseren, ik sluit mijn ogen als het warme water de muizenissen meeneemt in het afvoerputje.
Met een zwierig gebaar valt de witte kapmantel over mijn schoot waarin ik zedig mijn handen leg. Het mes snijdt mijn haar, met kleine duwtjes geeft ze richting aan mijn hoofd. Ik staar in de spiegel naar de vrouw die ik ben.

Zo gemakkelijk zou ik mij kunnen laten gaan in de warme omhelzing van de kappersstoel.


Bespiegeling

IMG_9809
Terwijl ik door de straten van Gent fiets, overstekende voetgangers probeer te ontwijken en de tramrails, waar mijn voorwiel zich altijd zo tot aan getrokken voelt, links laat liggen maak ik de balans op van de afgelopen weken.
De mensen beladen met tassen, zwaaiend met hun paraplu vormen het decor voor mijn gedachten.

De kinderlijke onbezorgde pret die mij ten deel valt, het borrelen van het lachen als ik aangeraakt word. Hoe mijn lijf zo dapper doorgaat hier op de fiets, het bloed gejaagd wordt. De blijdschap van het naderen van de stad, thuiskomen en de kachel kunnen opstoken. De warme wijn die ik drink op zondagmiddag en de knipoog van de vrouw achter het tafeltje in een café.

Vol in de remmen als de dikke hond van een vrouw in groenige harige jas van de stoep stapt om te snuffelen aan iets in de goot. Waar ik me vorig weekend nog begaf in de wondere wereld van de superdeluxehutsiefrutsieroyalezelfbevredigingsmachienen waarvan geen enkele me kon bekoren sta ik nu gelukzalig met zachte nylons in mijn hand. Ook zo fijn dat ze geen geluid maken knik ik mezelf in de etalageruit toe.


Kieskeurig

Als heldere Mien race ik door het huis. Het Kindeke komt, schoon en warm is de mantra. Puss beziet het vandaag van tussen de internetverbinding en mijn rode kastje. De verbinding valt regelmatig uit als ze zichzelf verder in de kier duwt. Ze houdt niet van stofzuigen en mijn driftig gestamp door het huis maakt haar van streek.

Ik hou mijn hart vast voor de komst van een levendige tweejarige. Als ze binnen komt gaat ze eerst naar de kattenbak en zegt heel serieus dat je daar niet van mag eten. Dan begint Puss weer aan zijn klaagzang en miauwt keihard vanuit haar schuilplek.

Poes miauwt constateert mijn peuter. Waarna ze richting Puss stapt en resoluut haar hand in de kier steekt. Poes aaien! Ze kijkt er serieus bij. Het wonder geschiedt: Puss komt uit de kier en begint kopjes te geven. Aaien zegt de kleine heks met een tevreden lach.

Als ik mijn hand richting kat uitsteekt deinst ze achteruit en maakt aanstalten om weer ergens onder te kruipen. Nee poes! roept ze en gehoorzaam draait het dier zich om terwijl het met vlammende ogen naar me kijkt.

Ik begin het vermoeden te krijgen dat Puss en ik niet bepaald een match made in heaven zijn.

 

 

 


Kortst

IMG_1717
Klein, mager en grijs staat ie aan de achterkant van zijn camionette te goochelen met bergappelsienen. Het is de kortste dag vandaag, vanaf morgen worden de dagen weer langer. Eén minuut per dag. Dagen lengen, winter brengen.

In mijn pyjama en op mijn sloffen, als een soort prototype van de huisvrouw, zonder krulspelden maar wel met mijn haar alle kanten op, kijk ik hem versuft aan.

Hij vat het op als aanmoediging om meer uitleg te geven. Kijk maar naar het weerbericht als de dagen langer worden komt de koude. Ik probeer tussen te komen om appels te vragen. Als het me lukt begint hij een nieuw verhaal over Reinetten en de moes die hij daarvan elke dag op zijn boterham smeert. Beter dan vet!

De rij achter me groeit aan. Af en toe knikt hij de mensen achter me toe Ik kom eraan. Hij helpt met het dragen van de patatten naar mijn deur.


Puss

De gaten in de vloer onder het aanrecht worden dicht gestopt met isolatie. De boorden die de kastjes hermetisch afsluiten met een flinke dot lijm op hun plek geplakt. Alle kieren tussen aanrecht en vloer nauwkeurig nagekeken en poesproef gemaakt.

Puss heeft haar intrek definitief in de kachel genomen. Af en toe miauwt ze woedend. Als ik niet thuis bent komt ze van tussen de gietijzeren platen gekropen om te eten en de bak te gebruiken. Het moet gezegd: Het is een proper diertje. Zodra ze me hoort op de trap vlucht ze weer richting waakvlam waar ze platgedrukt in haar zelfgekozen gevangenis gaat zitten

Dikke sokken, sjaal en een tas hete thee om me te warmen doe ik aan kansberekening.

Ik denk aan de wush die ik hoor als ik de kachel helemaal open zet. Het is het geluid van het gas dat toestroomt en met een zachte plof ontbrand.
Begin je eigen crematorium giechelt een van mijn vriendinnen vol leedvermaak.

Ik hou voor ogen dat mijn energie rekening dit jaar enorm gunstig uit zal vallen, gooi een stuk gember in mijn thee om warm te blijven en bid dat er geen Siberische winter komt.