Maandelijks archief: mei 2014

Kou

De poes mag in de diepvries, ik lees het bericht twee keer. Naast me zit de oude kater, zijn vacht een beetje mottig, de ademhaling raspend. Net raapte ik nog ergens een verdwaalde drol van de vloer want de kattenbak net iets te ver.

De poes kijkt me aan als ik tegen hem praat: Dat ik naar het werk moet en dat mijn leven zo gelukkig en vol licht is, zijn ogen vol begrip lijkt hij wel te knikken. De deur naar de tuin zet ik open en met wankele passen wiebelt hij de drempel over.

Elke keer als ik thuis kom spits ik mijn oren om zijn reutelend gesteun te detecteren. De opluchting als ik al van verre het snurken hoor is groot. Ik vertel hem maar niet dat er in een lade in de vriezer leeg gemaakt is.


Groots

De kleine jongen slaapt, zijn handen liggen open in zijn schoot. Hij is moe en zucht. Als de wandelwagen klaar staat gesp ik hem voorzichtig uit het autostoeltje. Laag voor laag bouw ik een zachte cocon die mijn armen doet wiegen. Pas dan neem ik hem op en laat zijn zachte haartjes onder mijn kin verdwijnen.

Zo leg ik hem neer en maak zorgvuldig de riempjes van de buggy vast. Als zijn vader teder het stuur overneemt weef ik draden van behoedzaamheid en klein geluk. Onze stappen vormen een geruststellende cadans om zijn dromen te begeleiden.


Helder

IMG_0278[1]
De man met de intens blik komt tegenover me zitten aan de tafel in de zon. Ik bestel een koffie verkeerd en hij een zwarte straffe bak. Ver over de zeventig, het blauw van zijn overhemd accentueert de kleur van zijn ogen, zijn grijze haar, de pretrimpels die zijn gezicht doen leven geven hem een stralende krans van geluk.

Wat een mooie dag, knik ik. Toch zal er ook verdriet zijn vandaag, zeker dat er mensen sterven. Hij zegt het met grote ernst. Op zo’n dag als vandaag zou ik best willen doodgaan, ik neem een grote slok van mijn koffie. Waar zouden we naar toe gaan Waar zijn we voor we geboren worden?

Terwijl we spreken kijken we mekaar diep in de ogen. Je kan je lot niet ontlopen maar je kan wel kiezen hoe je er mee omgaat We houden de handen stevig en lang vast als we afscheid nemen. Terwijl hij naar zijn fiets stapt, straks taart eten bij zijn kleinkinderen, overvalt me een groot gevoel van geluk. Zonder afspraak weet ik van een weerzien.


Schijn

Berg op, strakke bochten, bomen die een groene tunnel over de smalle weg vormen, de radio speelt, naar beneden snelt De Snor het dal in. Mijn ogen prikken van al het verse groen, de zon schijnt fel en in de verte dreigt een onweersbui. Vier uur zie ik op de autoklok. Tijd voor een middagdutje besluit ik.

Willekeurig sla ik een smalle onverharde weg naar rechts in. Ze loopt dood op een weide met gele boterbloemen. Geen hek houdt me tegen, ik stuur de auto soepel achter de meidoornheg die witte bloemen draagt.

De raampjes op een kier klim ik in mijn zelfgemaakte nest en sluit mijn ogen. De hond draait zich op de voorstoel, oren gespitst, snuit tevreden op haar poten. Zo slapen we diep en gelukkig. De regen op het dak wekt me, ik soezel nog even verder.

Als ik weer mijn ogen open stralen de druppels en staat een regenboog hoog aan de hemel. Ik ben daar!


Hitte

Het vuur brandt zo fel dat het pijn doet aan mijn ogen. Ik lig op mijn matje, rug veilig tegen de rots, de regen kan me in deze holte nooit bereiken. De man naast me schuift af en toe een tak om het vuur te voeren. Het knettert en de vonken vliegen door de lucht. We geven de fles wijn aan elkaar door. De hond ligt aan mijn voeten, ik rol me in mijn deken.

Ik ruik naar rook en roet en mijn broek zit onder de vegen. De nachtdieren in het bos worden wakker. Ik hoor een uil en een hert, de takken kraken en de blaadjes ritselen. Langzaam vallen mijn ogen toe. De man zegt dat hij op me zal passen, zijn ogen schitteren in het vuur.

Een streepje ochtendlicht is net zichtbaar als ik wakker word omdat ik moet plassen. De hond zucht als ik me uit mijn lagen wikkel. Niet te ver van de vuurplek want veel te koud, zit ik op mijn hurken en kijk diep in het dal. Mijn plas dampt, de ogen van de man schitteren.


Visioen

Diep in de negentig schuifel ik met mijn wc rolletje in de hand door het verpleegtehuis. Ik interview mijn medebewoners over belangrijke zaken. Boven mijn hoofd steekt de bamboestok die ik gestolen heb uit de beleeftuin waar ie de tomaten recht hield. Ik heb hem vastgeklemd onder mijn bh. Want een reporter zonder antenne is als een eitje zonder zout.

Ik sluip door de gangen op mijn pantoffels om de laatste nieuwtjes en roddels af te luisteren. Zittend achter een tafeltje in de gemeenschappelijke ruimte brul ik ze gedecideerd en met kritische blik door mijn wcrol de ruimte in. Als er iemand naast me wil komen zitten wuif ik die met brede gebaren weg en maan ze tot stilte. Wat denken ze wel mijn uitzending te verstoren.

Omroep Zeeland!. Met enige regelmaat floept het zo mijn mond uit als ik de telefoon opneem. Bij voorkeur als ik een beetje niksig voor me uit zit te staren, gedachten op oneindig. Er zijn rollen die ik maar moeilijk afleg.


Droomarbeid

IMG_0125
De sjaal die ik voorzichtig van mijn hoofd til, kijk ik in de spiegel en zie mijn lange haren stralend wit geworden. In één nacht. Toch was het vuur in de kleine kuil afgeschermd met een ijzeren plaat zodat niemand het kon opmerken. Peinzend bezie ik mijzelf, de vrouw die ik ooit zal zijn.

Bij het opstaan voel ik aan mijn korte donkere haren, nog even geduld.


Plas

Net na vieren wordt ik wakker, mijn buik doet pijn en ik moet plassen. Zo lang mogelijk probeer ik het verlaten van mijn warme nest uit te stellen. Als het echt niet meer gaat klim ik de wankele ladder af.

Mijn blote voeten kletsen op het koude beton, steentjes en stof tussen mijn tenen. Bij het plassen word ik overvallen door messcherpe pijn, de tranen springen in mijn ogen. Ik wieg mijzelf heen en weer van pijn en schrik.

Veel drinken, spreek ik mezelf moed in dan zal het overgaan. Een tas dampende thee neem ik mee naar mijn zachte warme bed in hoop op verlichting. Ik pers zeven sinaasappels uit voor extra vitamine c en eet twee cranberypillen die ik vind in een oude medicijndoos.

Het gaat niet beter, niet na twee potten warme thee, zelfgebreide sokken en twee paracetamollen. Ik spoor mijn witte bloedcellen aan om de akelige indringers te lijf te gaan maar eindig rillend van de koorts op de bank.

De mevrouw van ’t Spoed geeft me een potje om in te plassen. De aandrang is enorm, ik haal met moeite het toilet. Voor de balie wacht ik met in mijn hand het warme bekertje. Mevrouw Spoed zit aan de telefoon haar computerproblemen te bespreken. Zorgvuldig vermijdt ze mijn blik.

Als er een traan over mijn wang rolt legt ze de telefoon neer en pakt zonder iets te zeggen mijn roze gekleurde plas aan.


Zaterdag

IMG_0228
Het fluitekruid schuimt hoog en fragiel in de bermen. Fel groen, nat gewassen door verse regen, straalt zo helder dat het bijna pijn doet aan mijn ogen. De wind, fris, blaast mijn wangen gloeiend rood.

Ik denk aan de hond, die het hier fijn zou vinden, snuffelend naar suffe hazen in de berm. Haar zachte oren om te strelen.

Hoe in de tijd besloten ligt wie we wanneer ontmoeten, de kracht van een hand die warmte geeft op mijn witte vel. Een zachte natte stoute zoen die me onmiddellijk doet reageren.


Verloren wezen

Ze friemelt zonder onderbreking aan haar vest terwijl ze haar verhaal vertelt. Ik luister op de stoep met een glas witte wijn, druppels aan de buitenkant, natte vingers, hond aan mijn voeten.
Meer nog dan de woorden die ze uitstort vertellen haar lichte ogen van de pijn en de verwarring.

Het verhaal is al duizend maal verteld in een poging het kwijt te raken. Haar wanhoop maakt me stom.