Maandelijks archief: juli 2014

Café picknick

Achter de bar is het zo donker dat de barvrouw op de tast haar flessen zoekt, verder op in het café is de schemer ook bijna duister. Ik baan me een weg door de mensen naar achteren. Daar zitten mijn vrienden. Ze zijn al een straat of wat verder dan ik. Druk in gesprek klinken de glazen.

Ik nip van mijn goedkoop sinasappelsap waarvan de zurigheid me in de maag rispt. Op een paar meter afstand zit een man. Hij haalt uit zijn tas een brood, een pot choco en kaas. Hij telt de sneetjes die hij hebben wil en legt die op een stapel op de tafel voor hem. Stoïcijns begint het smeren, boterham na boterham wordt netjes belegd en daarna doorgesneden en aan de kant gelegd.

Als de ongesmeerde boterhammen op zijn kijkt hij in zijn reusachtige rugzak. Hij stopt het mes erin en haalt een kokosnoot boven. Peinzend wordt de noot bekeken. Ik wacht ademloos af. Straks haalt hij een hamer uit zijn rugzak en knalt ie het ding aan flarden bedenk ik.

Hij weegt de noot in zijn hand en neemt dan zijn beslissing. Het beleg, het brood en de kokosnoot worden netjes opgeborgen.
Jammer zucht ik stilletjes vanaf de zijlijn, ik had de knal graag gezien.


Nood

Het ochtendlicht is nog maar net van zijn grijs ontdaan als ik ontwaak. Het zand vochtig aan mijn voeten voel ik een enorme plas op komen. De vissers op een meter of vijf afstand draaien zich met regelmaat om de wormen aan de haak te doen en de hengel uit te gooien.

Het gevoel van plassen laat zich maar moeilijk negeren. Ik verleg me in een ander houding, de druk blijft. Ik babbel over koetjes en kalfjes terwijl ik mijn hand op mijn blaas leg in de hoop op verlichting. Ik wil niet gaan zitten in het zicht van de hengelaars.

Als ik recht sta komt het besef van geen onderbroek dragen. Opgelucht stel ik me tussen de rotsen. Mikken blijkt niet mijn sterkste kant.


Tochtje

De boot is groot, wit en blinkend. De man aan het stuurwiel oud en zenuwachtig. Ze slaan een arm van de Leie in waar de brug laag is. De boot kan er niet onderdoor. Er is veel vaart, de man draait aan zijn wiel, de vrouw drukt op een knop. Van alle kanten komen en bootjes aan. De rondvaartboten, onverstoorbaar in hun baan, de kano’s met kindjes, een pruttelende motorsloep zo zwaar geladen dat het water bijna over de boorden klotst.

Het draaien gaat niet vlot, de vrouw staat klaar met een houten stok om de boot af te duwen van een aangemeerd schip en de betonnen rand van de kade. Ik sta met mijn armen geleund over de gietijzeren leuning. De man vloekt, de lippen van de vrouw vormen een smalle streep. De opluchting op hun gezicht als ze weer de juiste kant opvaren, weg van de onneembare brug is bijna tastbaar.

Ik kijk naar het water beneden me, het klotst wild. Op een vlot staat een kleine zwarte pluizige meerkoet uitzinnig te piepen. Zijn ouders in opperste paniek zwemmen rondjes. Een paar meter verder in het water drijft het nest, ondersteboven.


Nachtelijk

Met mijn rug tegen de warme steen en mijn billen op de slaapzak kijk ik uit over zee. De maan is vol, het silhouet van de vissers daar waar de rotsen eindigen en de zee begint. Ik drink lauwe wijn uit een fles. We spreken zacht over pijn en geluk en de onvermijdelijkheid van het leven.

Het is laat, de wind nog warm, af en toe stapt er een visser op zoek naar de perfecte stek voorbij.

Dan is daar de zwerm: Zilveren vogels vliegen in een fragmentarisch patroon voorbij de zachte gouden maan, naar een andere tijd, een andere plek. Voorzichtig vraag ik aan de man naast me “zag je ze ook?”


Kinky

Vertraging, lange trage rijen, een piloot die vliegt als een dronken aardbei waardoor mijn knokkels wit zijn van het angstig knijpen in de leuning van de stoel. Het is warm en zweeterig als ik aankom, zware rugzak, regenjas over de arm op weg naar de autoverhuurder knijp ik de ogen tot spleetjes om de vibrerende explosie van geel, groen, blauw en bleekroze te kunnen hanteren. Mijn ogen staan nog ingesteld op Hollands grijs.

Het is donker bij aankomst in Lissabon, de ruiten van de auto wijd open waait de warme wind naar binnen. Steile nauwe straatjes, een paar keer sta ik vertwijfeld met de auto voor een trap, uiteindelijk parkeer ik op een flinke helling op een pleintje. Er is nog plek in de herberg hebben we net aan de telefoon gehoord. Op weg naar de deur passeer ik de bar met nauwelijks aangeklede meisjes.

De bel van de receptie galmt door het gebouw, een dame in een korte blauwe schortjas met witte biesjes opent de deur en heet ons welkom. Ze gaat voor naar een kamer op de derde verdiep. Glimlachend overhandigd ze de sleutel. Met een zucht van opluchting, van reizen wordt je best wel moe, stap ik de drempel over.

Als bevroren blijf ik staan als ik me zelf weerspiegeld zien in de spiegels die van de muren tot het plafond lopen. Het bed is zo gepositioneerd dat je elke minutieuze beweging minstens in drievoud terug ziet. Als ik ga plassen liggen de handdoeken op de rand van het bidet al klaar.


Passant

Nachten lang krijg ik visite van de hond. Ik zie alleen zijn enorme kop met vierkante kaken, zijn grijze snuit, witte bles op zijn borst en zijn voorpoten. Het beest kijkt me met zijn lichte vreemde ogen indringend aan. De kop een beetje schuin zit hij daar een aanschouwt me. Hij blaft of piept niet, de enige beweging komt van zijn snorharen die hij af en toe laat trillen.

Mijn dromen, vol van emotie en verhalen brengen hem niet van zijn stuk. Als ik denk dat hij me vergeten is, of ik hem, vang ik een glimp op van zijn schaduw. Daar ben je weer mompel ik zacht en nestel me in de kussens. Het komt niet in me op hem aan te raken. Soms roep ik in mijn dromen: Hoepel op!

Het brengt hem niet van zijn stuk, nooit zag ik zijn lange dunnen zwiepstaart in de verte verdwijnen. Hij is daar en ik ben hier.


Trendsetter

Jarenlang was ik in de weer met scheermes en zeep, het haar op mijn lijf werd in toom gehouden dan wel minutieus verwijderd. Na een beetje aanmoediging besluit ik dat het heel raar is om je lichaamshaar als een soort vijand te beschouwen.

Ik ontdek dat schaamhaar sneller groeit dan het haar onder je armen en dat haargroei best veel reacties uit lokt. Als ik mijn harig plan uit de doeken doe vraagt een vriendin: Durf je nog wel jurkjes zonder mouwen te dragen? De jongeren die ik in mijn vormingen heb griezelen alleen al bij het idee van okselhaar, . Laat eens zien, til je arm eens op huiveren ze.

In de sauna met mijn vriendin, met schaamhaar, knikken we tevreden naar elkaar. Wij zijn trendsetters. Wedden dat over tien jaar haar hartstikke hip is?


Het Kind

Met Genoegen haalt ze haar studie medische psychologie, blij en opgelucht bekent ze Al die mensen die zeuren zo, doe iets met je leven denk ik steeds Daarmee is het besloten. Het Kind zal geen psycholoog worden en begripvol hummen tegen haar toekomstige patiënten. Ik word dierenarts knikt ze naar zichzelf terwijl ze met haar net behaalde universitair diploma staat te wapperen.

Natuurlijk Kind, doe maar zeg ik. Je moet ambitie nooit de kop indrukken.

Ze staat voor mijn spiegel in de slaapkamer met een wit maagdelijk jurkje. Ze ziet er prachtig uit maar piept dat ze echt geen adem kan halen. De borstkas kan niet maximaal uitzetten zucht ze voorzichtig. Ik doe mijn roze jurk aan, mag ik jou schoenen voor erbij?

Ze haalt morgen haar bull diergeneeskunde met onderscheiding. Ik knap uit al mijn kleedjes van fierheid en geluk.


Veilige haven

Het bed is een beetje wankel aan een kant, gelukkig staat daar een pianokoffer tegenaan zodat je niet makkelijk naar beneden rolt. De kier tussen het bed en de glazen tussendeur is gevuld met een boek, plastic poepzakjes voor de hond, een kinderbandrecorder met microfoon en een boel kleren. Veilig want zo kan je niet per ongeluk met je knie een glazen ruitje stuk tikken.

Ik lig met één hand onder mijn hoofd en kijk naar buiten. Het licht valt groenig en gefilterd binnen. De zon maakt vreemde patronen op het versleten vliegengaas. Voor het raam staan ruiten van velerlei formaat om in de winter de koude buiten te houden. Nu is het warm.

Ik luister naar de pianomuziek, het klatert en rolt. Ik hou het meest van het lied van de Walvis. De herhaling, het patroon, het ritme dat komt en gaat raakt iets, van ver verleden, ergens in mijn borstkas, die mee beweegt synchroon met de handen die de piano beroeren. Het is niet het zien maar het weten dat me verlokt.


Euforist

Ik heb echt niks, al dat gedoe is helemaal niet nodig. Die onderzoeken en dat gedoe in mijn hoofd. Ze zegt het met grote stelligheid terwijl ze van haar broodje met rookvlees hapt. Gent ligt aan onze voeten, ik staar naar het fabuleuze uitzicht, met onder mijn billen de koude vensterbank.

Je viel vorige week nog in je eigen vijver draag ik aan. Jij hebt toch ook wel eens wat. Ik barst in een hiklach uit als ik haar serieuze gezicht zie.

Op haar hoofd zitten witte doppen, in een ander bed in de kamer ligt een vrouw met een scheef gezicht bij te komen van de narcose. De doppen op haar hoofd dienen om morgen de coördinaten van de tumor zo precies vast te stellen dat ze geen vitale onderdelen raken. Mijn maag krimpt samen van ongerustheid als ik denk aan alle risico’s.

Ik hou haar stevig vast en leg mijn hoofd op haar warme borst.

Nu zit ze rechtop in bed, nog rooie strepen van het ontsmettingsmiddel op haar wangen. Bovenop haar hoofd een witte plakker die het gaatje in haar schelde zedig bedekt. Operatie geslaagd, duif leeft!