Maandelijks archief: oktober 2014

Roer

Op een dag vind ik mezelf terug schreeuwend als een viswijf. Van een behoorlijke afstand sla ik het tafereel gade. Ik ben er vrij zeker van dat ik dit niet wil dus stop ik ergens midden in een zin en haal diep adem. Sorry, dat had ik niet moeten doen! Met moeite kan ik pas een paar uur later de woorden van tussen mijn tanden persen. Ik meen er niks van.

Met vette vingers eet ik gebakken patatjes uit de pan. Met een lepeltje smeer ik de mayonaise op de platte kant. De zoute roomboter lik ik van mijn warme vingers. Boven de lege pan neem ik mijn beslissing: Zo een vrouw ga ik nooit worden!

Zorgvuldig maak ik mijn ogen op, zwart lijntje, donkere oogschaduw, zwarte mascara, twee laagjes. Mijn ragdunne panty, hoge hakken en een gestipte rok met zwier vertrek ik op café. Daar bestel ik een goed glas wijn om met mijn liefste te klinken op een toekomst zonder zurigheid.


Babbeltruk

Zus staat te blinken op haar parkeerplaats. Tevreden over de vlotte passage door de Franse hoofdstad wordt er gerust. Een grijze dure auto stopt naast ons, een zenuwachtige man achter het stuur en een jongetje van een jaar of zes op de achterbank.

Of we Engels spreken? Hij heeft hulp nodig, met rooie ogen doet hij zijn verhaal. Hij komt net uit Parijs, geript van al zijn spullen, geen geld, geen bankkaart, bank holiday in Schotland en geen geld voor de boot of benzine. Ze hebben de nacht in de auto doorgebracht,

Hij heeft driehonderd euro nodig, eeuwige dankbaarheid zal mij ten deel vallen als ik hem het geld leen. Hij haalt de ketting met een gouden kruis vanonder zijn hemd: Geloof je in god? Nou nee dat niet. Heel even is ie van zijn stuk gebracht maar evengoed zweert ie op alles wat hem lief is dat ik het geld terug krijg. Hier, schrijf je mailadres op en dan komt het helemaal goed. Hij steekt me een opschrijfboekje toe.

Het jongetje, wit gezicht bruine piekhaartjes, hangt over de voorstoelen. Hij friemelt met zijn vingers. De man merkt mijn aarzeling, vorig jaar is de moeder van de jongen overleden. Braaf schrijf ik mijn mailadres in het boekje en geef hem twintig euro.

Treurig denk ik dat zijn rooie ogen waarschijnlijk van het blowen komen en niet van het huilen. Als ik het bezinestation buiten kom rijdt hij net weg bij de pomp. Hij stopt nog een keer om mijn hand te drukken en zijn enorme dankbaarheid uit te drukken. Gelukkig heb ik de zwervers in Parijs niet te veel toegestopt zucht ik tegen mijn metgezel.


Foetsie

Dan op eens besluit ik dat ik geen kort haar meer wil. Ik droom van wuivende lokken en statig opgestoken haar dat wiebelt op mijn hoof. De wind die het haar in mijn gezicht blaast en dat ik het dan achter mijn oren stop. Met mijn hand strijk ik door mijn korte stekeltjes terwijl ik droom van de vrouw die ik straks zal zijn.

Ga je mee naar Parijs? Ik kijk verbaasd achterom, heeft ie het tegen mij. Ja natuurlijk, de Seine in het avondlicht, zicht op de ijzeren toren en koffie op een wankele stoel ergens op de stoep waar de vrouwen in stijlvolle jassen met hakschoenen voorbij klikken.

Ik denk aan mijn lichtblauwe sjieke regenjas en de kousen die daar zo mooi bij contrasteren. Ik ga graag mee! Een mooi begin van wuivende lokken dacht ik zo. Morgen vertrek ik.


Yellow

Als een warm mes door de boter snijdt ze de bochten aan. Mijn rug wordt in de zwart leren stoel gedrukt als ik het gaspedaal in druk. Het stoplicht springt op groen en ik laat alle auto’s achter me terwijl ik wegscheur. De auto’s die ik in het schemerlicht tegen kom gaan eerbiedig opzij als ik aan kom rijden.

De eerste dag aan het stuur wil ik de parking van de Delhaize aan de Watersportbaan afrijden. Ik hou in want er komt een rij zwaailichten aangereden. Een ambulance en de MUG. Soepeltjes  draai ik achter ze aan de straat op Ik druk op het knopje om het raamje neer te laten. Met mijn hoofd uit het raampje roep ik hard TETUUT TETUUUUUUUUUUUUUUUT.

Het zwaailicht is van het dak gehaald, tweehonderdvijftig kilo elektronica is er uit gesloopt. Verder is Zus nog helemaal haarr eigenste zelf: Een medisch urgentie voertuig van het UZ Gent


Man

Zijn vel glanst in het zonlicht, zijn sportieve broek en dito shirt spant straks over zijn lijf daar waar je spieren verwacht. De zonnebril is op zijn hoofd geschoven. We doen een kennismakingsspel met balletjes op het gras van het oude klooster. Hoe ik ook aangooi de man vangt geen enkele bal. Gegeneerd rent ie elke keer kris kras over het gras om de bal op te rapen.

In mijn beste Engels leg ik uit wat de bedoeling is als we met stiften en een blanco vel papier in het kalslokaal zitten. Denk aan de bouwstenen van je leven die je gemaakt hebben tot wie je nu bent. De student van over de hele wereld kijken peinzend voor zich uit, de een na de ander begint met de tekening op zijn blad.

De man wil graag als eerste vertellen waarom hij is. Hoe hij als kleine jongen altijd honger had, hoe zijn moeder hem als vier jarige naar de stad bracht omdat hij dreigde te verhongeren, hoe hij op zijn kleine benen altijd maar bezig was om ergens eten te scoren, hoe hij zodra hij begreep waar kennis toe kan leiden alleen nog maar in school investeerde. Overdag studeren en via baantjes geld bij elkaar brengen om zijn leertraject te kunnen betalen. Nooit tijd om te spelen

Nu zit hij hier in Brugge met zijn onbeholpen tekening op schoot en vangt geen bal


Goeiemorgen

Met de traagheid van de slaap nog in mijn lijf stap ik de deur uit en struikel over de vuilniszakken die ik de vorige avond naar buiten heb gesleept. Ik ben er bijna zeker van dat ik de mannen van Yvago heb horen passeren met hun rammelende wagen. Op een van de zakken zit een sticker: Deze aangeboden zak kan niet meegenomen worden omdat vanaf 1 oktober alleen vuilnis aangeboden in de nieuwe rode zakken wordt opgehaald!
Ik schop tegen de zak en stap op mijn fiets.

Bij het station zet ik de fiets, die niet van mij is, deftig op slot. Twee sleutels van de sloten berg ik zorgvuldig op in mijn brillendoos. Niet kwijt raken Miranda Ik spreek mijn gedachten hardop uit om de geesten te bezweren. Ik moet geld pinnen en de krant halen. Bij de krantenwinkel controleer ik de brillendoos, de sleutels rammelen vrolijk als ik er mee schud. Opgelucht berg ik alles diep op in de tas en doe de rest van de boodschappen.

Ik buig me voorover tussen de twee fietsen die ondertussen naast de mijn geparkeerd staan. Het grote slot gaat zo moeiteloos open dat het vrolijk weg veert. Het slot bungelt aan de stang, de sleutels, waarvan een van het slot dat nog dichtzit, zijn nergens te bekennen. De grond is bedekt met bladeren in alle tinten roestbruin en grijs, precies de kleuren van de sleutels van het slot.

Vloekend speur ik de omgeving af terwijl ik me probeer te herinneren of ik iets heb horen vallen. Naast me komt een man staan. Hij heeft een beige broek, dito schoenen en een mosgroen ribjasje. In een rood folderrek op wieltjes schikt hij zijn blaadjes. Bovenop staat met rode letters “bestaat Satan”