Maandelijks archief: november 2014

Ook Andy

Ze stommelen mijn smalle trap op, één met veel spieren en weinig haar, de andere klein en pezig met een bloempotkapsel. Als ze boven zijn steek ik mijn hand uit en noem mijn naam. Andy zegt de struise en ook Andy hij wijst met zijn duim naar achteren naar zijn maat.
Ze kijken schattend rond in mijn huis en halen hun schouders op: Ook niet echt de moeite, nemen we de buurvrouw ook mee grappen ze.

De stapel dozen neemt mythische vormen aan. Ik ben mijn ondergoed en mijn kleedjes kwijt. Ik weet ze ergens in de berg karton. Voor de vorm trek ik er een paar dozen uit. Administratie lees ik en keukenspullen. Wat zie je er kek uit in jeans en  laarzen zegt een collega. Ik kan alleen maar denken aan de dozen, mijn onderbroeken en zwierige rokken die voorgoed verdwenen lijken te zijn, samen met het deel van mij dat houdt van zacht, zwierig en elegant. Zelf de pincet om mijn wenkbrauwen te epileren is kwijt.

Harig en chagerijnig staar ik de wereld in!


Pauper

De wandeling is stevig, Haarlem-Zandvoort, het visserspad. We drinken een tas thee bij Kraantje Lek. Ik bewonder de boom waar vroeger de kindjes uitkwamen, voordat sexuele voorlichting bestond. Ik hoor het verhaal over de vissersvrouwen die met manden vis door de duinen liepen om hun waar in de stad te koop aan te bieden.

Aangezien ik niks op mijn rug heb en het gezelschap aangenaam loop ik driftig door. Het pad door de duinen is schilderachtig. We passeren de golfbaan. Vanuit mijn ooghoeken zie ik een golfclub driftig heen en weer bewegen. Mijn stap vertraagd als vanzelf. Een man, een jongen nog eigenlijk, staat als een bezetene te zwiepen. Hij doet een poging om een bal weg te slaan.

Hij ziet mij niet. Ik registreer minstens zeven pogingen die het balletje op een haar na missen. Zijn schouders verkrampt staat hij daar te meppen. Ik kan een giechel niet onderdrukken. Hij hoort het en kijkt op. Ga terug naar je caravan schreeuwt hij.


Week

Een rokende jonge vrouw op het zebrapad. Ze draagt een rode jas die te krap is en een rok met platte schoenen. Vettig haar in een staartje, blauwe kringen steken fel af tegen de witte huid van haar benen.

De snottebel van het kleine meisje in de tweedehands winkel glans in het tl licht. Het witte wollen truitje zit strak. Ik zie een stuk van haar verwassen roze hemdje.

De broek, glimmend van vet en vuil, hangt half over zijn billen. De man krabt in zijn baard. Langzaam beweegt hij zich over de stoep. In zijn hand een plastic tas van de Carrefour.

Mijn peperkoeken hart draait overuren in mijn nieuwe buurt.


Manne

Ik doe net boven het licht aan en laat de deur met een klap achter me dicht vallen als ik de sirenes hoor. Ze komen beslist dichtbij, ik zie de reflextie in het raam. Dan is daar het besef dat ik dat niet zou moeten zien, ik woon tenslotte aan een binnenplaats.

Ik buig me met de neus tegen het raam om te kijken, lichtbundels zwiepen heen in weer op kaal, donker beton. Dapper besluit ik buiten te gaan. Joehoe roep ik truttig. De bundels zwaaien synchroon mijn kant op. Politie! roepen ze terug. Er is hier een persoon gezien. De raadselachtige zin wordt uitgesproken alsof ik meteen zal begrijpen wat er aan de hand is.

De melding is al van even geleden. Ze schijnen nog steeds wild in her rond. Niks te zien besluiten ze en stappen zonder groeten mijn koer af. Voor de zekerheid doe ik mijn buitendeur op slot, je weet tenslotte maar nooit met personen.


Wild vlees

Ik denk nog wel eens aan de man die mij versmade, jarenlang was er altijd ergens een plek waar hij huisde. Uiteindelijk was de grens bereikt. Geen teken van leven stuur ik hem. Telkenmale werd het contact, hoe onschuldig ook, bestempeld als losbandig en werd ik voor even de feeks met slangenharen.

Toch gluur ik stiekem nog wel eens naar zijn foto, kijk ik, als ik toevallig in zijn woonplaats moet zijn, oplettend om me heen,  ontluikt soms de gedachte dat ik hem wellicht een piepklein bericht zou kunnen sturen.

Het is niet de angst voor de afwijzing die me weerhoudt en mijn boosheid over het versmaden is al lang vervlogen. Het is het antwoord op de vraag: Ben je nu gelukkig dan?


Opdracht

Tijdens het vergaderen sla ik met een wild gebaar een tas warme thee in mijn schoot. zuchtend ga ik aan de slag met een handdoek om mezelf en de tafel droog te deppen. De notulen drijven in een plasje en plakken aan elkaar.

Als ik bij mijn auto kom zie ik al van ver het witte papier onder de ruitenwisser. Ik heb de parkeerschijf die ik verderop in de straat heb opgehaald in mijn hand. Negentig euro zegt het zwart en wit gedrukte vod. In de verste verte geen uniform te zien waar ik overheen kan braken.

Ik drink een tasje thee na het eten en hoor een soort van alarm afgaan. Het duurt even voor ik besef dat het mijn auto is. In volle galop ren ik door de gang. Mijn scheenbeen komt keihard in botsing met de wandelwagen van de buren die in het stikkedonker als een soort boobytrap in de gang staat. Op mijn been verschijnt binnen vijf minuten een groot blauw ei.

De stoel schuif ik achteruit. Ik kom klem te zitten tussen de plant in een reusachtige pot en het bureau. Als ik met gewrik de stoel loskrijg zie ik dat de oplader van mijn telefoon tussen het wieltje gedraaid is.


Muide

De doos met lp’s weegt als lood, op de bovenkant lees ik: Klassiek, Bream tot Falla. Als ik op trede drie ben van de ijzeren trap scheurt het kartonnen handvat. Ik voorkom nog maar net het naar beneden storten van doos en ik. De platenspeler, versterker en boxen staan al boven. Het leek een goed idee, plaatjes draaien onder het klussen en verhuizen.

De doos weegt minstens dertig kilo. Ik krom mijn rug, sla één arm over de doos om met de toppen van mijn vingers de bodem vast te klemmen. De andere hand sleurt aan het nog intakte handvat. Zo hijg ik tree voor tree naar boven.

Tevreden zet ik de doos naast het rek waar de installatie inkomt. Slim gepland naast een stopcontact. De verdeeldoos heb ik ook ingepakt want op al die machinerie is mijn lullig contactje niet opgewassen. Als alles opgesteld staat en ik bedenk welke plaat ik eerst op ga leggen moet enkel de stekker nog in het contact. Ik duw en duw maar de pinnetjes willen niet in de ronde gaatjes.

Langzaam begrijp ik wat het probleem is. Ik nam de Nederlandse doos mee, in Belgie moet er een gat in de stekker waar een metalen pinnetje van het stopcontact in past. Zuchtend leg ik de boel op de grond, met die inburgering wil het niet echt vlotten. Schel en vals zing ik onder het soppen mijn eigen verzonnen lied tot ik de buurman opzichtig hoor kuchen.

Dan stop ik beschaamd.