Maandelijks archief: december 2014

Rolschaap

De stoel plat, mijn laarzen uit. Een kussen onder mijn hoofd en een in mijn rugnom de kou van de deur tegen te houden zoef ik richting zuiden. Er wordt alleen halt gehouden om bij een tankstation mijn thermos met heet water bij te vullen, de chauffeur van koffie te voorzien en om mij om de zes uur met militaire precisie twee paracetamol toe te dienen.

Ik doe hazenslaapjes, af en toe wordt ik wakker omdat ik even op de routeplanner moet kijken of de creditcard om de tolweg te betalen aangeef. Als mijn keel pijn doet zip ik van de gemberthee. Ik lig ingerold in een dikke wollen deken die normaal gebruikt wordt om reumatische klachten van je lijf te houden. Buiten is het koud, sneeuw, rijp, de thermometer geeft buiten tot mijn vijf graden aan. Weet je zeker dat we zuidwaarts gaan mompel ik slaapdronken als ik de wittewereld voorbij zie flitsen.

Na achtien uur min of meer non stop rijden begint de temperatuur op te lopen. Helder blauwe lucht en mijn zonnebril moet er aan te pas komen. De stoel gaat rechter, het schaap naar de achterbank. Dan zit ik op een terras in een piepklein gehucht. De man met snor en hoed schenkende koffie met veel hete melk. Ik koester me in de warmte van de stralen.


Pudding

Misschien dat ik, toen Yvonne net gestorven was, ooit zo moe geweest ben. Ik kan het me maar moeilijk voor de geest halen. Ik kon alleen in slaap vallen als ik zachtjes over mijn rug werd gestreeld, tot mijn spieren zich ontspanden.

Nu kan ik niet meer, OP is het woord dat zich elke dag met grote neonletters vormgeeft in mijn hoofd. Meestal in de kleur gifgroen. Ik vergeet voortdurend waar ik mee bezig ben. Laat per dag minstens één fles fel gekleurd sap op de tegelvloer kapot vallen en breek elke bord dat ik in mijn handen krijg.

Zou ik een burnout hebben zeur ik tegen mijn lief, of wellicht een enge ziekte? Ik zucht als ik mezelf in de spiegel zie, een vermoeide vrouw, in en in wit. Goochelde ik een paar maanden geleden nog met vier bordjes in de lucht waar ik nu over elke drempel struikel.

Ik pak mijn rode koffertje en leg de schapenvacht in Zus. Ik weet met aan zeker grenzende waarschijnlijkheid dat ik meer dan de helft vergeten ben. Het kan me niks schelen. Ik vertrek naar Zuid Portugal om met elke stap het pad af te leggen dat me dichter bij mijn oorspronkelijkheid zal brengen.

Koudegolf in het Zuiden lees ik op internet. Ik gooi een extra deken in de kofferbak.


Leerervaring

Snipverkouden, paarse kringen onder mijn ogen sta ik dik ingeduffeld moed te verzamelen met de hooivork in mijn hand. Vier paardenboxen liggen te wachten om gemest te worden. Ik probeer te keuren welke ik echt helemaal zal moeten leegscheppen en welke genoeg hebben aan het wegscheppen van de drollen.

Ik besluit eerst de twee stallen te doen die er nog best goed uitzien. Fluit je van een cent, die paar drollen wegscheppen. De kruiwagen strategisch neergezet ga ik met de hooivork in de weer. Elke keer als ik een grote hoop drollen probeer op te scheppen rolt de helft er af voor ze in de kruiwagen terecht komen. Ik oefen mijn techniek en na een hoop of vijf is er een significante verbetering. Het gaat om de “nazwiep”. Elegant je pols kantelen op het juiste moment en hopla de hele zwik valt netjes in de kruiwagen.

De mest bovenop ligt in geen tijd in de mestwagen. Netjes probeer ik het stro opnieuw te verdelen. elke keer als ik prik stuit ik op een nieuwe hoop mest, keurig afgedekt met min of meer vers stro. Ik ontdek dat de onderlaag van het stro zeiknat is. Mopperend schep ik kruiwagen na kruiwagen vol.

Nooit geweten dat paarden als een soort paashazen hun drollen verstoppen onder een fris laagje stro.


Hoog en droog

De rode fordbus staat geparkeerd ergens bij een tankstation in de buurt van Eindhoven. Even pauze voor ik mijn bestemming, een of andere instelling buiten de stad, bereik. Ik rij al een paar uur in de zeikende regen en ben het gezwiep van de wissers meer dan zat.

Ik zucht en strek mijn benen door ze op het dashboard te leggen. Mijn boterham eet ik uit een plastic zakje. Gedachteloos kauw ik hap voor hap. Een auto rijdt me iets te hard voorbij maar ziet kans om met veel gepiep van remmen vlak voor mijn bus te parkeren. Ik trek mijn wenkbrauwen op: Er is toch wel plek genoeg.

Als de jonge man driftig uit zijn bolide springt trek ik de conclusie, die moet nodig plassen. Ik wurm ondertussen het rietje in mijn pakje sap. Op een of andere manier zie ik altijd kans om de inhoud over me heen te sprietsen, met beleid lukt het deze keer zonder morsen. Goh die man plast wel lang, vanuit mijn ooghoeken zie ik hem nog steeds vlak voor mijn bus staan.

Vreemd eigenlijk waarom staat die zo dicht bij mijn auto? Terwijl die gedachte passeert bekijk ik het tafereel iets nauwkeuriger. Ik zie de hand van de man wild op en neer gaan ter hoogte van zijn kruis. Zijn gezicht is rood, zijn mond open. Als het besef komt dat deze man al een tijdje zichzelf probeert te bevredigen in mijn blikveld terwijl ik rustig mijn boterham opeet krijg ik vreselijk de slappe lach.

Hikkend van pret start ik de ford, vriendelijk zwaai ik als ik rond zijn auto draai. De man zwaait niet terug.


Gewichtig

Haal jij de plank met wieltjes er vanonder! Het is geen vraag maar een opdracht. Ik ga door mijn knieën en zie dat er een heel klein beetje speling zit tussen de vleugel en het plankje. Daar moet ik mijn vingers tussen schuiven om kracht uit te oefenen om het karretje er van onder te krijgen.

Een vleugel te geef, een kwartje weliswaar, maar wel met mooi notenfineer en hutsiefrutsiedeluxeroyaleversiering. Te begeerlijk om te laten staan volgens de vriend die toevallig ook een grote bus heeft waar het ding wel in past dus vervoer geregeld. Alleen nog iemand nodig om te helpen maar daar is Miranda. Voila, probleem opgelost.

Natuurlijk helpt de voormalig eigenaar, die zo wanhopig poging in het werk stelt om zijn loods vol spullen en prullen leeg te ruimen, ook mee. Opgeruimd staat netjes, ik zie het hem denken. Uiteindelijk komt broer ook helpen tillen, optimistische geluiden alom, een fluitje van een cent want er liggen ook rijplaten en de karretjes staan klaar.

Het eerste deel van het plan werkt perfect. De vleugel staat al op zijn kant en is ontdaan van alles wat er af zou kunnen vallen. We kantelen en duwen de karretjes op hun plaats. De tocht door de loods, gaat redelijk want ik schuif snel met mijn voeten vuil en gebroken glas opzij. De drempel is al een behoorlijk obstakel maar met op drie allemaal tegelijk duwen en trekken hotsen we er over heen.

Het wordt moeilijk op de rijplaten. Ik schat het ding op minstens 500 kg want er zit ook nog een pianola mechanisme in. We duwen en trekken uit alle macht maar het ding wiebelt vervaarlijk heen en weer. Ik span al mijn spieren en zet me schrap met mijn laarzen op de beton. Ho! Stop! hij past niet hij is te hoog! Door de karretjes onder de vleugel past hij niet door de deuropening.

Nu zit ik geklemd tussen de muur en een vleugel die elk moment bovenop me kan storten. Er wordt geroepen en gevloekt. Op goed geluk schuif ik mijn vingers tussen vleugel en karretje en trek uit alle macht. De mannen kreunen, ik bid in stilte om geluk en het behoud van mijn beide pollen. Ze houden het en met een grote brul schuift het gevaarte op zijn plek.

Bibberend sta ik aan de zijkant van de bus. Met een hand hou ik me recht. Was je toch bijna verpletterd knikt een van de mannen.


Schot

Mijn ogen sper ik zo wijd mogelijk open. Het is aardedonker. Het bloed suist in mijn oren, mijn hart bonkt, zweet tussen mijn borsten. Ik knipper en knipper om het beeld van mijn netvlies te krijgen: De man in de zilvergrijze golf, model jaren negentig. Het zwarte boord aan zijn leren jas spant om het witte vel van zijn pols. Korte stoppels in zijn nek, een pet van zachte zwarte stof. De details als een glasnegatief zo scherp. Haartjes op zijn hand, de vage geur van zelf gerolde sigaretten.

Hij houdt zijn arm langs de deur door het open gedraaide raam. Zijn andere hand op het stuur, de motor staat uit. De rode klinkers van de weg, bomen zonder blad, grijzig is het, ik voel de miezer op mijn gezicht.

De man tuurt naar iets verderop in de straat. Ik kan mijn blik niet afwenden van zijn hand strak langs de deur van zijn auto. Een half automatisch pistool, bleekgroen met slijtplekken die vaag zwart afsteken, zijn vinger losjes om de trekker. Behoedzaam richt hij het pistool. De schreeuw stolt ergens achter in mijn keel als ik wakker word met speeksel op mijn lippen.

Mijn benen beven als ik ze over de rand van het bed zwaai. De druk op mijn blaas neemt toe terwijl ik besluiteloos blijf zitten. Het toilet is buiten, mijn angst blijft binnen. Ik plas op het rood glimmende plastic kinderpotje.


Crisis

De routeplanner ligt op mijn schoot, ik hou hem met een half oog in de gaten en probeer zo accuraat mogelijk te sturen. Pas op, je raakt de stoep, mijn bijrijder roept geschrokken. Knorrig antwoord ik dat ik niet alles tegelijk kan. Zal ik kijken? Nee ik doe het zelf. Je kan toch niet omgaan met dat ding denk ik chagerijnig.

Straks krijg je nog een midlife-crisis, hij zegt het lacherig maar ik proef een serieus ongeruste ondertoon. Wat denk je dat ik dan zal doen? Afwachtend kijk ik opzij terwijl ik ternauwernood een verkeersbord mis.

Krijsen?


Boodschap

Ik heb lijm nodig voor de snor van Sinterklaas! Wil je die op waterbasis? De beste van de twee, doe die maar.

Er zijn van die dagen die heel gewoon beginnen: Je staat slaperig op, zet koffie op de automatische piloot, stoot een teen aan de poot van het bed en huivert van de kou bij het naar buiten stappen. Tot je jezelf terug vindt op een queeste naar lijm voor de Snor van Sint.


Kok van de koning

Combi na combi smijt zijn auto op de stoep voor het café waar ik op de drempel sta. De blauwe draailampen reflecteren fel in de ruiten van de restaurants en de winkels. Agenten, per twee, stappen het huis binnen waarvoor mijn wagen geparkeerd staat.

De Turkse eigenaar van het café schud zijn hoofd over zoveel politiegeweld. Er is iemand malade zucht hij terwijl hij dramatisch naar zijn hoofd grijpt. Ik schuif naar binnen waar ik hartelijk begroet word door een rimpelige oude vrouw, haar gebloemde hoofddoek stevig onder haar kin geknoopt.

Donkerbruine thee dampt me troostend toe en warmt mijn koude vingers. De echte MUG komt toe en even later een ambulance. Ik krijg partjes mandarijn toegestopt van de cafébaas. Helemaal niet goed, niet eten, niet drinken, gooide de met liefde gegeven pannenkoek in het toilet, en zie wat er van komt. Dat is tenminste wat ik denk dat de man zegt. Hij spreekt Frans met een vet accent.

De vrouw aan mijn tafeltje met de droeve bruine ogen en het lange grijze haar zegt: Ik bracht hem een pannetje waterzooi, zelfgemaakte waterzooi. Hij was de kok van de koning, zo een knappe man, van koning Boudewijn dan wel natuurlijk. Hij is ziek geworden in zijn hoofd en helemaal werkonbekwaam. 

De arts zet zijn koffer terug in de kofferbak, de ambulance rijdt langzaam en leeg weg. De kok van de koning zal niet meer koken.