Maandelijks archief: januari 2015

reddingsboei

Ze prikken, snijden, verdoven nog een beetje, maken voor de derde keer een foto om te kijken of de naald eindelijk op de juiste plek zit. Ik lig op mijn buik, één oor platgedrukt tegen het plastic, een dekentje over mijn kouder wordende rug.

De witte muur tegenover me lijkt langzaam heen en weer te golven als ik duizelig van de pijn mijn ademhaling onder controle probeer te houden. Dan is daar plots die warme hand op mijn pols die langzaam mijn vingers vastneemt. Knijp maar!

Haar stem is zacht en geruststellend. Ze laat alleen los als alweer een foto gemaakt moet worden. Amper heb ik de klik van het toestel gehoord of daar is de warme hand terug.

Bij de hand weet ik geen gezicht. Ik klamp me vast aan de vingers en de stem.


Pluk

Op een trap die aan een kant wegzakt in de zanderige bodem balanceer ik om de mooiste sinaasappel te kunnen plukken. Mijn hoofd tussen de takken en de blaadjes snuif ik genietend de zware geur van citrusvruchten. De oranje vrucht in mijn hand weegt zwaar en is nog warm van de zon.

Aan de voet van de trap staat mijn Portugese vriendin. Doe toch voorzichtig, hou je vast piept ze. Stoer sta ik daar in mijn kleedje met bloemen en wuif haar bezwaren weg. Als de trap zo scheef zakt dat ik me alleen nog staande kan houden door half aan een tak te hangen wordt de installatie verplaatst.

Dan begint het hele schouwspel opnieuw. Haar grote familie roept aanwijzingen en moedigt me aan om toch vooral geen sinaasappel te missen. Onder luid gejuich haal ik de laatste van de boom. Ik moet me tot het uiterste strekken om hem te pakken te krijgen.

Als het werk gedaan is drinken we wijn en eten we scherpe worst. Deze familie heeft geen weet van mijn zorgen. Ik koester me in hun liefde en aandacht. Ik vertel ze van mijn droom die ik had als kind: Ooit zou ik in het land wonen waar de sinaasappels aan de bomen groeien, dat leek me het hoogst haalbare aan avontuur.


Werkelijk

De droom over mijn weggesneden tandvlees en hoe mijn tanden los staan in mijn mond staat me levendig voor de geest. Het is nog donker in de kamer, de gordijnen vertonen door hun kieren nergens een streepje licht. Ik probeer te gokken hoe lang het nog duurt voor ik op zal staan.

Met mijn vingers streel ik mijn rechterborst, sus mijzelf met optimistische cijfers en verwachtingen. Hoe ik straks vrolijk de kamer van de arts uit zal huppelen nadat ie me het goede nieuws verteld heeft.

Als ik mijn ogen terug sluit om te wachten op de slaap, zijn daar weer die wiebelige tanden en de smaak van bloed op mijn tong. Ik vervloek Freud en denk dat het misschien toch niet zo bijzonder goed met mij gaat.


Welkom

Zeven huizen en een slaperige mottige kat, het gehucht ligt te blinken in de namiddagzon. Twee plastic tafels met stoelen geven aan dat er een soort van café is. Als ik binnen stap, mijn ogen moeten even wennen aan het duister, zitten er twee mannen aan een tafeltje droevig te kijken. Vanuit een schuurachtig bijgebouw komen geluiden van bestek op borden en geanimeerd gesprek.

Natuurlijk kan er gegeten worden, de vrouw met een papieren muts met een klepje en een schort die ooit wit geweest is wijst naar een gordijn waarachter het eetgedeelte is. Ze wrijft haar handen af aan haar schort. Papier wordt op tafel gelegd, haar schort spant om haar buik, ze heeft een wrat bij haar oor. Ze aait me over mijn rug als ze mijn verlangende blik richting de tafel achter me ziet gaan. Daar zit een groep van zes mannen, ze eten grote stukken vis, drinken rode wijn en scheppen soep met uien en tomaat in hun bord. De soep is op! Met veel spijt in haar stem herhaalt ze het een paar keer.

Gelukkig heeft ze nog ander eten. Ribbetjes of kotelet. Het duur eventjes gebaard ze maar ze brengt alvast wijn en brood. Ik zip van de wijn en kijk af en toe naar de schaal met vis bij de geburen op tafel. Een van de mannen staat op en brengt een schaal met stukken vis, proef maar. Blijkbaar is mijn gelonk niet onopgemerkt gebleven.

De vis is heerlijk, ik bedank de gulle gevers. Dan komt ook de vrouw uit de keuken met een aardewerken schaal. Het restje soep zorgvuldig opgewarmd met daarin vier gefrituurde vissenkoppen. Hier wordt oprecht van mij gehouden.


Kousenvoet

Oudejaarsavond, met rode koortswangen sta ik voor de balie van een iet wat smotsig hotel ergens in de Portugese bergen. Er is nog een kamer, de grootste, knikt de jongen enthousiast. Voor dertig euro is ie de mijne. Ik weet ondertussen dat half Lissabon het oude jaar in wil ruilen voor het nieuwe in Serra d’Estrela en dat de kamers schaars zijn. Ik aarzel niet, ja ik wil. Als ik vriendelijk vraag of er honden binnen mogen schudt hij beslist van nee.

Op de deur een plaatje van een hond met een dikke streep er door. Als de man mijn sombere blik ziet vraagt hij of ik een kleine hond heb. Best wel, zeg ik leugenachtig want ik weet een reusachtig rood monster in mijn kofferbak. Het alarm van Zus is zeker al drie keer afgegaan omdat het beest bewoog.

Nou dan mag ik de hond wel binnen smokkelen, wikkel haar Maar in een jas geeft hij als tip, zodat debandere gasten haar niet zien.