Maandelijks archief: april 2015

Baas in eigen hoofd

Mijn handen, die op mijn buik rusten, bewegen traag op het ritme van mijn ademhaling. Wat voel je aan je tenen? Je mag ze een beetje bewegen of niet.  De weke stem van de man die de sessie leidt vult de hoge witte ruimte van mijn slaapvertrek.

Met aandacht probeer ik te volgen, van de teen naar de onderkant van de voet, de bovenkant, de hiel.
Kan die man wellicht even zijn mond houden is zowat de enige gedachte die in mij opkomt, mijn lijf en wat ik voel is rap vergeten.

Steeds opnieuw probeer ik mijn aandacht bij de oefening te houden en steeds is daar weer die afschuwelijke stem die in mijn hoofd voor een migraine-achtige ergernis zorgt.

Na anderhalf been druk ik op de stopknop van de cd-speler. In mijn hoofd klinkt mijn eigen fijne stem die me van lichaamsdeel naar lichaamsdeel loodst


Smotsig

Mijn nieuwe buurt is vies: Rotzooi in de goot, rochels op de stoep. Vuilniszakken als het geen ophaaldag is. Er woont een kat die van niemand is en overal eten krijgt. Hij legt zijn drollen in de 20 vierkante centimeter grond waar mijn druif dapper staat te overleven.

Plastic waait door de straat ouwe rotte stoelen naast een voordeur, af en toe zit er iemand op. Tegen de prullenbakken in het park stappelen de zakken met onbestemde stinkende inhoud op. De bakken zelf lijken immer vol.

Als ik wandel met de hond zie ik een nieuwe stapel sluikstort. In de bosjes staat een oud bed in stukken en een televisie. Ik vloek binnensmonds van ergernis en woede.

In de vroege avond doe ik nog een laatste rondje, het avondlicht is barmhartig voor mijn buurt. Bakstenen muren vol lelijke graffiti fleuren op. De stapel stort is door de buurtkinderen gerecycleerd tot een boomhut met een deur. Middenin prijkt de tv. Bovenop staat een lege waterfles gevuld met zand met een takje waaraan teer groen blad zachtjes wuift in de wind


Ellende

Alles wat ik aanraakt valt onder mijn handen uit elkaar. Het zou een eerste interessante zin van een boek kunnen zijn. Jammer genoeg is het dat niet. Ik worstel me door het leven.

Als ik een glas vastneem glipt het uit mijn vingers en valt het in duizend stukjes op de tegels kapot. De kraan die ik lekker open draai mikt de straal precies op een lepel die in de aanrechtbak ligt. Het water spet mijn hele shirt nat.

Ik verschuif iets op het aanrecht, een lepel valt op de grond, het is een vieze lepel van wortelsoep. De oranje spetters kleuren mijn witte muur tot schouder hoogte. Als ik de zak uit de vuilnisemmer wil halen neem ik het hengels mee waardoor de zak klem komt te zitten en ik noodgedwongen met de metalen bak tussen mijn knieën geklemd sta. De volle vuilniszak hou ik in evenwicht in mijn armen.

Als ik met mijn hand mijn haar achter mijn oren wil stoppen sla ik mijn bril van mijn hoofd. De blauwe sjaal die ik draag hangt in het eten dat ik probeer te koken.

Als ik struikel over het tapijt dat ik net liefdevol uitrolde vloek ik zo hard dat de hond jankend wegrend. Net goed!


warenonderzoek

Het is koud, de meeste handelaren zijn dik ingeduffeld met mutsen, handschoenen en sjaal. Sommigen hebben zelfs een deken mee om stevig in te stoppen onder de billen alsof ze anders vastvriezen in hun klapstoel die in de verte herinneringen op roept van een parasol en warm zand.

Op een deken liggen een paar ouderwetse plastic ringbanden, klein formaat. In een blauwe auto achter de deken zit, met de deur open, een oude man te kleumen. Dik in de zeventig schat ik. Ik buig door de knieën om te kijken, geen idee waarom. Bij het openslaan schiet ik onmiddellijk in de lach.

De map zit vol met plastic hoesjes waarin foto’s geschoven zijn. De boven en onderkant is fantasievol bijgeknipt in ruitvorm of met een boogje. Op de foto’s staan jonge blote vrouwen, veel schaamhaar, in verleidelijke posities. De man in de auto wordt een beetje ongemakkelijk van mijn gegiechel.

Van mijn schoonbroer geweest, hij is een paar maanden gelden overleden. Ik had er nog twee maar die zijn al verkocht voor tien euro.


Spoed

zacht klinkt het gezang waarin Allah wordt aangeroepen door de gang. Een vrouw huilt, de deur is open en de kamer propvol. Op de gang staan twee jongetjes van een jaar of tien. Ze staren als ik voorbij loop. Ze zien er verdwaald uit. Ik hoor een verpleegkundige met bezwerende stem iemand geruststellen; dat het zo voorbij zal zijn, dat hij rustig zal sterven.

Mijn stap klinkt luid op de tegelvloer. Ik zie het nut van de geluidloze stappers waarmee de verpleegkundigen mij geruisloos voorbij rennen. Het is een drukke avond volgens de vrouw waar ik achteraan loop. Ze duwt met één hand de rolstoel en in haar andere hand heeft ze een step. Ik bied aan om de step even van haar over te nemen, voor het gemak. Je mag hem wel even proberen hoor lacht ze.

Zo step ik om half vijf in de nacht door de gangen van de spoed van Sint Lucas.


Reuring

In de buitenhaven van Terneuzen ligt een sleepboot. Op de kant staat Stekeltje, haar antenne wijst stoer richting Souburg. Al onze spullen heb ik samen met technicus Rens aan boord gesleept. We zijn al de hele ochtend op pad. Elk uur komen we live in de uitzending, varia deze keer in plaats van nieuws.

Het gesprek kabbelt voort, ik probeer de mannen uit hun tent te lokken maar echt wild wordt het niet. De kok aan boord brengt een reusachtige schaal gesmeerde sandwichen die op een deftige Engelse high tea niet zouden misstaan. We zorgen goed voor onszelf, de mannen knikken naar elkaar tevreden met zichzelf en hun job.

Vroeger ging het er toch ruw aan toe por ik nog een keer, Ze halen hun schouders op, en zuchten dat het reuze meeviel, uiteindelijk zijn ze gewoon allemaal brave huisvaders met een vrouw en kinders. Ik zie ze denken, weer zo’n muts van de wal die geen idee heeft.

Tijdens het interview hangen we in de stuurhut. De kapitein en twee van zijn mannen houden hun ogen de hele tijd op het water gericht. Midden in mijn vraag beginnen ze met drie tegelijk te roepen en te wijzen. Krachttermen vliegen door de ruimte. Het onderwerp van de opwinding is een groot containerschip. Het maakt een rare zwieper in een nauwe bocht van de Westerschelde.

De motor van de boot slaat aan, de verrekijker heeft het schip in het vizier, ik hou mijn adem in want weet dat ze mijn zijn vergeten en zie me al in volle vaart over de Westerschelde schieten. Spectaculaire radio in het verschiet. Opgewonden hup ik heen en weer.

Dan zucht onze sleper van teleurstelling. Het containerschip herpakt zich en vervolgt zijn baan over de Schelde.