Maandelijks archief: september 2015

Grond happen

Het paard is hoog. Ik kan er niet overheen kijken en moet een trapje gebruiken om op de rug te komen. Zonder angst haal ik de halsbrekende toeren uit om me daarna hoog te laten dragen. Ik waan me een bejaarde Pipi Langkous op mijn witte paard.

Met mijn tong uit mijn mond van inspanning probeer ik de donkerbruine IJslander te sturen. Het klinkt simpel: Kijk naar waar je wilt en het paard gaat er vanzelf naar toe. Zonder moeite schiet mijn paardje in gang. Sturen is geen optie. Hoe zeer ik ook probeer het beest loopt als een dronken aardbei door de binnenbak. Mij kan het niks schelen. Ik zit op mijn paard gelijk een cowboy. Niemand weet tenslotte welke richting ik uit zou willen. Ik kijk gewoon verstandig en zeg: Hup!

Ik wil ook nog best even zonder zadel op het paard. Mijn onafhankelijke zit oefenen. Stiekem ben ik zelf reuze tevreden over mijn onafhankelijke zit. Ik bedoel: Wie zit er onafhankelijker dan ik. Stoer sla ik mijn been over de glanzende, brede rug. Klaar? zegt mijn collega die mee stapt om ongelukken met sukkels zo als ik te voorkomen. Natuurlijk, knik ik. Het paard verplaatst zijn gewicht op zijn andere been en nog voor het beest een stap zet glij ik in een vloeiende beweging van het paard.

Op mijn rug in de modder, vol verbazing, kijk ik op naar de IJslander, die zo vanaf de grond bezien nog van een afmeting lijkt die ontzag kan inboezemen. Ik probeer op te krabbelen, nonchalant, niks aan de hand mensen, ik ben stoer.

Mijn gekwetst ego is de ernstigste blessure, met bibberende benen stap ik weer op. Ik laat me niet kennen. Nog dagen lang loop ik te mompelen. Van een stilstand paard afvallen; Daar is nou echt niks heroïsch aan.


Up

Het miezert, ik sta met een vreemde rooie pothelm op mijn hoofd geklemd te luisteren naar de instructies van een man die zich kalmpjes los en vastklikt aan ijzeren kabels en katrollen. Ik draag een soort van harnas over mijn jeans dat al mijn vetrollen extra laat uitkomen. De instructiehunk trekt het in mijn taille nog wat strakker aan bij de inspectie.

Het touwparcours tussen de bomen wacht.

Ik sta onder aan de trap en tuur de hoogte in. Dit is het laag parcours, hier moeten we beginnen. Zo laag is het niet want ik zie de eerste hindernis op een meter of zes boven mij. Mijn maag begint een beetje raar te doen maar ik laat me niet kennen. ‘De vrouw waarmee ik samen de bomen zal beklimmen staat voor me. Ik ben op vakantie met het werk. Na drie treden op de ladder zegt ze beslist: Ik wil dit niet meer.

Voor de vorm sputter ik nog wat tegen, ergens in mijn achterhoofd staat het koor te jubelen. Hoera ik hoef niet!

Ze wil wel de tokkelbaan doen. Samen met de instructeur zoeven we meters naar beneden. Vreemd genoeg heb ik daar geen last mee. Gierend van pret stap ik op 20 meter hoogte van een plateau om de “Deathride” te doen.

Daar is nog een tof parcours met een paar kleine tokkelbaantjes.  De hunk wijst ergens naar vanachter met zijn hand. Ik huppel voorop want naar beneden roetsjen is mijn ding. Met wapperende haren zoef ik over de touwen.

Op het derde plateau aangekomen kijk ik plots in een gapende afgrond. Nikste roetsjen. In het midden bungelt een touw met een knoop. Je moet er op zitten en zwieren naar de andere boom, een kleine drie meter verder.

Mijn benen blokkeren onmiddellijk, mijn mond is kurk droog. Ik kijk wanhopig achterom. Nergens een ontsnappingsroute. Ik kan alleen maar voorwaarts waar het touw me toegrijnst. Mijn collega aarzelt maar zwiert toch naar de overkant.

Daar sta ik, bevroren op minstens vijftien meter hoog, vastgeklipt aan een boom. Ik probeer mezelf geruststellend toe te spreken. Dat ik veilig vast hang in een belachelijk harnasbroekje, dat mijn collega, die zelfs nog kleiner is dan ik, ook gezwierd heeft zonder een hartinfarct te krijgen.

Even overweeg ik om keihard on hulp te krijsen zodat de hunk me met een helikopter zal moeten komen redden want ik ga deze boom echt nooit, niet, never, meer loslaten.

Dan spreekt mijn kleine blonde collega me liefdevol maar streng toe: Niet naar beneden kijken. Kijk in mijn ogen en spring, je kan het, ik vang je op.

Geen idee wat me bezielt maar even later vlieg ik door de lucht en sta ik aan de overkant. Deze scene zal zich nog minstens tien keer herhalen voor ik veilig op de grond sta. Daar zoen ik mijn collega en draai ik krankzinnig krijsend rondjes tot ik omval van het lachen.


Nee!

Ik heb een slaapzak op reserve, nou ja het is een geleende die ik nooit terug gaf, schoenen, lekker warm ook. Wollen dekens, sokken, dikke truien, noem het en mijn kast ligt er vol mee. Toch denk ik er niet over om ze naar de vluchtelingen in Calais te brengen.

Mijn kast staan vol met pakken rijst, suiker en andere eerste levensbehoeftes. Ook die sta ik niet in een kartonnen doos te pakken om aan de vluchtelingen te geven. Ik hoef nochtans de brug maar over te steken om bij een inzamelingspunt te komen.

Ik zou me doodschamen om deze spullen te geven aan de mensen die soms al meer dan in jaar in een van dekzeilen en mottige lappen gemaakte tent op een vuilnisbelt aan een van de scharnierpunten van Europa wonen. Mijn tenen krullen als ik de reportages zie. De berg spullen waar deze mensen niet om gevraagd hebben maar die ze toch geacht worden dankbaar in ontvangst te nemen.

Ze willen een leven, een kans op een menswaardig bestaan en een simpele toekomst. Geen extra deken maar een politiek statement en een juiste keus  tijdens de verkiezingen op partijen die menselijkheid, delen en compassie in hun programma hebben staan.

Ik lig ’s nachts wakker en fantaseer over betogingen, rijen mensen die passeren met spandoeken waarop ze roepen om solidariteit en verdraagzaamheid.

Onmachtig deel ik in de morgen met een hoofd vol zorgen Facebook berichten die mijn piekeren in de donkere nacht verbeelden.  Ik blijf dromen en hopen dat er een daad is die ik bij het woord kan voegen.