Maandelijks archief: november 2015

Natuurlijk

Twee keer lees ik het stuk in de krant, het staat er echt: Vluchtelingen moeten een verklaring ondertekenen waarin staat dat ze de rechten van homo’s respecteren en man en vrouw gelijkwaardig zijn.

Ik heb er meteen beeld bij, hoe een ambtenaar achter een bureau zal uitleggen dat we in Nederland geen problemen hebben met homoseksualiteit, dat mannen en vrouwen de zelfde rechten en kansen hebben.

Ik denk aan de gereformeerde politieke partijen in Nederland, die vrouwen uitsluiten als het gaat om het bedrijven van politiek, homo’s willen verbieden om voor de klas te staan of als trouwambtenaar op te treden.

De hele dag ben ik vrolijk, alsof er net een geweldig mopje voorbij kwam.

Halleluja

 

 


Puur

Licht van de winterzon kleurt de keukenkast van babyblauw naar mintgroen. Truttige pantoffels met bontjes houden mijn voeten warm. De melksnor op mijn bovenlip veeg ik af met de mouw van een oud vest.

Na mijn tweede koffie zet ik een grote pot thee. De krant spel ik van voor naar achter. Bach op de oude buizenradio kraakt mijn geluk tastbaar.

De wereld buiten lijkt wellicht bar maar voor wie heldere ogen heeft zijn tekens van verdraagzaamheid zichtbaar.


Plug

Er is post voor je! Mijn collega steekt een groezelige envelop in de lucht. Ik zie dat er een plakker van de post op zit. Verkeerde postbusnummer.

De envelop is te klein voor het voorwerp binnen in. Langs alle kanten is ie gekreukt en geplooid. In kleine letters lees ik dat ie van een collega instelling is.

Voor het openscheuren tast ik met mijn vingers de contouren af. Binnen in zit een soort dop van rubber. Geen briefje zie ik na het scheuren. De dop leg ik op mijn hand.

Het lijkt op een soort plug voor een fles die je gebruikt om wijn te maken. Naar onder loopt ie taps toe. Geen enkele collega heeft een idee wat het zou kunnen zijn.

Mijn hersens kraken, geen mens kan ik bedenken die mij zo een plug zou sturen.

Getsie! roept mijn collega die binnen stapt. Wat is dat? Ik doe mijn verhaal. Ik zou daar niet aan zitten, wie weet waar het ding gezeten heeft.

meteen laat ik het ding los en ben dolblij dat ik de drang om er aan te ruiken heb kunnen weerstaan. Voorzichtig zet ik hem, met de envelop eronder op de kast en was mijn handen twee keer met zeep.

Een week later gaat mijn telefoon: Heb je het stopsel gekregen? Ik weet van geen stopsel. Voor de vijver! Dan gaat het licht aan. De plug is voor het bad waar ik een vijver van wil maken.


Vort

Met een mengeling van afschuw en compassie lees ik het nieuws en de reacties op de terreurdaden in de wereld.

In het vliegtuig van Tbilisi naar Istanboel zit ik naast een woest aantrekkelijke man, donkere krullen, zachte ogen en handen die hun eigen verhaal vertellen. Hij verhaalt over Beiroet, de stad waar hij leeft en werkt. Zo vol liefde over de straten die heropgebouwd worden en opnieuw bevolkt door creatieve moedige mensen. Hij drukt zijn adres en telefoonnummer in mijn hand met de dringende uitnodiging met eigen ogen te komen zien.

Met mijn rode koffertje en zwierige tred voel ik me een echte Parisienne. Zolang ik mijn mond niet opendoen zal niemand opmerken dat ik toneeltje doe.  De stoepen klinken opgewekt onder mijn klikhakken. Ik glimlach naar de mensen die ik tegenkom en drink een grote koffie met melk op een terras.

Ik bid niet voor Parijs, ook kleurt geen vlag mijn gezicht. Ik denk aan de woest aantrekkelijke in Beiroet, mijn spel in Parijs, aan Istanboel en Brussel, steden waarin ik me de wereldreiziger waan waar ik als kind van droomde.

Ik brei een sok, maak soep voor de buurvrouw, deel mijn geld met de zwervers van de stad en voel een diepe droefenis terwijl ik mijn mantra mompel: Wees lief voor elkaar.

 


Dwalend

Je moet je niet zo hechten, een beetje volwassen er mee omgaan. Het was toch al een oud paard, viel het niet gewoon om van ouderdom? Niet zo emotioneel reageren is beter, dat kan je er van leren. De aanbeveling stromen binnen.

Het natte zand van de binnenbak plakt aan mijn laarzen. Onze adem vormt kleine regelmatige wolkjes. Van de flanken van het kleine dappere paard slaat de stoom af. Zweetdruppels rollen uit zijn vacht. De donkerfluwelen ogen met de lange wimpers zijn gericht op het zand en onze voeten.

Een stilleven van drie in een kleine bundel licht. Buiten is de diepe donkerte van de nacht die deze keer geen enkele belofte in zich draagt. We zijn niet zeker dat we klaar zijn voor wat komt.  Het paard slaat met zijn staart, wij spreken de geruststellende woorden die hol echoën tegen de ijzeren wand van de schuur.

Majestueus zweeft een enorme uil de binnenbak binnen. Traag wiekt de vogel een rondje boven ons hoofd. Ik hoor de lucht zacht zoeven. Hij draait zijn kop om ons in het oog te kunnen houden. Ademloos kijken we hoe hij het duister tegemoet vliegt.

Ik denk aan de mensen waarmee het paard zijn halve leven werkte. Ze worden zo zelden door iemand aangeraakt, omhelst of gekust, geen strelende hand of tedere woorden.

Tot daar het paard zacht zijn neus tegen een hand duwt, de hals strekt om te strelen. Hinnikt en briest van blijdschap bij de ontmoeting.

De uil, met de paardenziel onder zijn vleugels is al ver weg, verder dan wij ooit geweest zijn, naar daar waar de avonturen geboren worden.