Maandelijks archief: januari 2018

Roetsj

De villa is prachtig, de bossen rond West Malle fluisteren al van de lente die echt weer zal komen. Als ik toekom klopt de Vlaamse gaai zijn welkom. Mijn kindjes, ze zijn boven de twintig, maar in mijn ogen nog maar net begonnen.

Mijn lokaal is boven met zicht op de ouwe bomen, de erker nodigt uit te leunen en te bezien. De gangen glimmend geboend, het lamplicht spiegelt in de majeustieuze trappen.

Nee met de schoenen mag je niet naar boven, daar van gaat de trap naar zijn mallemoer. Ik krijg prachtige sokken, paars met donker, zacht en warm aan mijn voetjes. Elegant ook vind ik zelf. Voorzichtig stap ik want al snel bevind ik me als een schaatsers op glad ijs. Kijk roep ik naar mijn studenten en ik roetsj door de gang. Niet slecht voor een bejaarde!

Het is stil wanneer ik de trap afdaal. Een hand op de leuning, de andere vol met spullen. Mijn voet glibbert van de trap. De hand op de leuning is niet genoeg. Gelijk een zak patatten, roetsj.


Verrassing

Het glanzende zwarte scherm staart me donker aan. Keer op keer probeer ik op te laden in de hoop op een wonderbaarlijke herrijzenis. Tevergeefs. Mijn hippe telefoon blijft dodelijk stil.

Ik lees doemscenario’s over afgestorven accu’s en dure reparaties. Met een bang hartje breng ik het apparaat naar een reparatiebedrijf met een eufemistische naam.  Ik leg omstandig uit hoe en wat en dat vooral het oplaadstekkertje op weerstand lijkt te stuiten.

Even wachten, de man verdwijnt de trap op. Wanneer hij terugkomst ligt in de palm van zijn hand een perfecte minuscule houtkrul. De reparatieman trekt zijn wenkbrauw op en zwijgt.

Dat doe ik dan ook maar.


Dien

De zon schijnt, door het grote raam valt het licht royaal naar binnen. Je zit in je stoel de voeten op schoot van je lief. Zo lang al samen dat zijn hand zonder kijken kan omvatten.

Jij bent ver weg, onze tranen glijden langs je heen. Hoe graag wij je zouden dragen, nog verder met ons mee het leven door, ons leven, niet het jouwe want dat ben je al lang kwijt geraakt.

Zo zitten we daar te wachten op verlossing. We eten een laatste boterham met zalm, delen de broodjes. Er was zuinig ingekocht, wie wil eten als de dood verwelkomt wordt? Het simpele ritueel van samen eten schenkt ons de  illusie van leven en instant houden.

Jij wil naar bed, daar hoeft niet over gesproken. We weten dat je moe bent. Een voor een gaan we je kamer binnen. Jij zal hier over enkele ogenblikken gewikkeld in doeken liggen. Onbeweeglijk en ver weg.

Ik omhels je een allerlaatste keer en fluister je naam. Meer hebben we niet nodig. Alles is gezegd, onze liefde niet in woorden te vatten.

Elke ochtend noem ik je bij naam. Vaak niet meer dan een flauwe zucht, een kleine opflakkering van energie. Een enkele keer, meestal onderweg, ter hoogte van de Braakman, draai ik mijn raam open en schreeuw het uit.

 


Consult

Dik boven de zestig is hij, een grijze gebreide trui spant over zijn buik. Het donkere haar in een straffe coupe geknipt. Ik zit voor zijn bureau en mijn hoofd bonkt onophoudelijk. Mijn wenkbrauwen wegen te zwaar voor mijn gezicht.

Koortsig en met een hoofd zo vol snot dat elke samenhangende gedachte een onmogelijke opgaaf lijkt leg ik uit hoe beroerd ik ben. Hij probeert ondertussen de computer op te starten. Het duurt eindeloos, het valt hem niet mee dat digitale tijdperk.

Gedachtenloos staar ik naar zijn bureau. Propvol met paperassen, attributen, pennen en een scheerapparaat.  Nog nooit gezien bij een huisarts, niet echt hygiënisch, waarom gebruikt hij geen wegwerpmesjes als hij het haar bij patiënten ergens weg moet halen bedenk ik.

Ik kijk toch al een aantal minuten voor ik de link leg tussen de kleine grijze haarstoppels die verspreid op het bureau en de spullen erop liggen en de gladgeschoren wangen van mijn nieuwe huisarts.


Perceptie

De oudere collega en ik hebben weinig gemeen. Hij weet alles van cijfers en ik raak al in paniek wanneer ik drie getallen moet optellen, laat staan met elkaar vermenigvuldigen. Als ik toekom op het werk zit hij al achter zijn bureau. Overhemd, nette broek, schoenen gepoetst en zijn dunne haar is over zijn roze schelde gekamd. Joviaal is zijn begroeting.

Ik zie in hem de onzeker jongen, zijn uiterlijk nooit mee gehad, groot katholiek gezin, weet wat delen is en wachten tot je geld genoeg bij elkaar hebt geschraapt om te kopen wat nodig is. Nog steeds doet hij zijn best om gezien te worden Hij weet dat ik de jongen zie. We worden nooit vrienden. Hij zit niet te wachten op mijn ongevraagde analyse.

Ik weet dat hij kinderen heeft, die briljant zijn maar evenmin de schoonheid van het leven mee kregen. Ik heb compassie en probeer dat zo goed mogelijk te verbergen. Op verjaardagen trakteert hij met zwier op grote dozen gebak en elke twee jaar staat er een nieuwe auto voor zijn deur. Ik bak cake en rij in rammelende bakken. Hij zorgt voor zijn zieke moeder en doet vrijwilligerswerk. Wij werken niet lang samen.

Ik lees een stukje in de krant over een gerespecteerd lid van de gemeenschap die de kasopbrengst van de kleine sportclub systematisch in eigen zak liet glijden. De sportclub floreert desondanks. Genoeg leden, aanpassingen aan het clubgebouw, geen probleem. Hij wordt beschimpt en met pek en veren overladen. De dozen  gebak en de nieuwe auto, het was de sportclub die trakteerde.

Ik denk aan de kleine jongen die zo graag wil dat iedereen van hem zal houden.