Maandelijks archief: mei 2018

Karma

In mijn stap probeer ik iets van nonchalance te stoppen. De route gaat straf om hoog en de losse kiezels rollen onder mijn voeten vandaan tijdens de steile daling. Zodra het besef van gevaar zich opdringt verstijf ik onmiddellijk en struikel de berg af.

Zoals een cowboy op zijn paard zit, met verende knieën en zachte heupen lopen we voort. De vergezichten, de blauwe lucht, het groen zo fel, het zonlicht maakt lichte vlekken op het pad. Mijn hoofd leeg als een knispernieuw huis.

De gedachten even vluchtig als de zwaluwen die in de dorpen hoog boven de huizen scheren op zoek naar voedsel. Dat is goed denk ik. Karma zit in de details zegt een van mijn reisgenoten.

 

 


Lekker fris

De rode koffer lijkt een ganse garderobe te bevatten. Elke keer verschijnt ze in een nieuwe beeldige combinatie. Een beetje jaloers ben ik wel. Ik heb enkel mijn saai blauw kleedje. De enige variatie die ik kan bedenken is wel of geen staart in mijn haar.

Mijn reisgenoot waarmee ik elke dag de kamer deel heeft zich duidelijk niet aan de paklijst gehouden. Zelf ben ik zo gewend geraakt aan het reizen met een rugzak dat de koffer die nu elke dag naar het volgende hotel gebracht wordt amper vol zit.

Ik ben me wel te buiten gegaan aan toiletspullen. Een smeersel voor elke gelegenheid zit er in de zak van enorm formaat. Dat meer dan een jurkje best tof zou zijn heb ik jammer genoeg niet bedacht.

Je tandenborstel ligt nog op de wasbak. Net voor vertrek uit het hotel prop ik hem dankzij mijn kamergenoot nog in de toiletzak. Als ze aan het einde van de dag zelf de tanden wil poetsen is ze haar tandenborstel kwijt. In mijn toiletten zitten er plots twee.

Ik blijf me de hele tijd afvragen met welke tandenborstel ik mijn tanden heb gepoetst.


Klop

Bij elke stap die ik zet steekt mijn hiel. De achillespees lijkt een soort van eigen brandend bestaan te leiden. De ene na de andere steile klim met bijbehorende afdaling dringt zich op. Een wetmatigheid waar ik behoorlijk chagrijnig van word.

De hongerklop drijft ons in de armen van twee bejaarden die speciaal voor ons de deur van hun bar open doen. Zelfs het oude brood gaat de oven in om gedrenkt in olijfolie te worden geserveerd. Ik eet een koude punt pizza, gisteren speciaal  voor mij gebakken waren de ogen groter dan de maag. Vandaag houdt het me onder de levenden.

Wanneer de zoveelste afdaling zich aandient, witte glinsterende stenen die pijn doen aan de ogen vanwege het felle zonlicht, surf ik als een soort dronken skiër naar beneden. Ik val net niet. Beneden aangekomen beven al mijn ledekens.

 

 

 

 


Schilderachtig

De lucht boven de weg trilt van de hitte, mijn hoofd is knalrood en kei warm. Nog een half flesje water heb ik in mijn rugzak. Ik zie mijn wandelmaatjes een voor een de man met de hamer tegen komen. Adem in door je neus, kleine stapjes, zelf ga ik ook langzaam dood maar ik probeer het nog een beetje te verbergen.

Wil je nog een dropje, dubbelzout? God wat smaakt dat lekker, ik krijg er twee. Met een abrikoos en zeven kersen kan ik er weer even tegen. Eindeloos is de klim naar boven. Ik krijg een klopje op mijn schouder, een grapje sleurt me mee. Gedragen door de groep haal ik net de eindstreep. Minstens drie keer ga ik dood op een steile, zinderende hitte.

Ik was mijn rooie BH in de wasbak met sunlight zeep, goed spoelen want anders droogt ie niet lekker zacht op. Achter de wasbak wip ik van de ene op de andere voet. Verdorie wat doen ze pijn.

Over een haakje van het raam hang ik hem te drogen. Bidden dat ie niet naar beneden valt, ik heb er maar eentje. Zie je dat ik geen BH aanheb? Kritisch bekijkt ze me van de voor- en de zijkant. Het lijkt wel te gaan, voor de zekerheid trek ik toch mijn vestje aan.

 

 


Calma, calma

Het landschap ontvouwt zich in zijn geuren. Kamperfoelie, bloeiende liguster, gele brem. Ik wrijf met mijn vingers over verse munt en rozemarijn. High van de anijsgeur van de wilde venkel loop ik door de olijfboomgaarden over het randje van een dal.

Met mijn armen zou ik willen zwaaien, huppelen en wilde sprongen maken. Diep, diep inademen en vooruit gaan: Semper Avanti, steeds vooruit!

De helling is steil, ik ga zo traag naar boven, ik val bijna om. Alle truken haal ik uit de kast om mijn metgezel ietsje sneller te laten gaan. Tevergeefs, de enige stap die sneller gaat is de mijne. Het maakt dat ik moet stilstaan en wachten zodat het spel van voren af kan beginnen.

Mijn bloed gaat sneller stromen, ik voel mijn voeten bij elk trage stap zwaarder worden. De groep is een lint van kleiner wordende stippen in de verte. Het komt goed, morgen zal het beter gaan, wij komen samen aan. Zorgzaam geef ik slokjes water en moedig aan.

Het is mij zelf die ik moet sussen.

Tot Ik kies voor loslaten. Mijn adem komt weer terug, ik ruik de kleine witte bloemen in de berm, ik vind salie, heb tijd om een paar kersen te pikken. Ik zie de dooie meikever op mijn pad en laat me gelukzalig afzakken naar verder achterop.

In de traagheid zit de vooruitgang, ik tik de vierentwintig kilometer zingend af.

 


Up

Als kind ben ik zeker: Ik kan spreken met de dieren. De hond op straat en onze kat spreek ik ernstig toe. Zij weten van de wereld en knikken  wijs. De magie van mijn kinderjaren wil ik graag bewaren.

Voor een fresco van Fransisco van Assisi sta ik met tranen in mijn ogen. De vogels aan zijn voeten, zijn arm uitgestrekt om de aanvliegers te begroeten in de kerk met het zachte licht en de poederachtige kleuren.

We vullen een briefje in om een veilige reis af te smeken. Niet dat we daar nu zo direct in geloven, bovendien moet het briefje in een soort brievenbus met een smalle gleuf. Franciscus was volgens mij meer van royale gebaren maar je weet maar nooit.

Met twee staan we te wachten voor het stoplicht. Ik druk op de knop voor groen licht en wandel alvast naar het randje van de stoep om soepel over te kunnen steken. De auto die aankomt gaat vol in de remmen voor het rooie licht. Nog voor ik met mijn ogen kan knipperen klapt met volle vaart een camionette op de stilstaande auto op amper een halve meter van mijn voeten.

Glas vliegt in het rond en de twee auto,s scheren rakelings langs ons. De mensen stappen uit met hun armen in de lucht. Het licht was rosso. Nergens bloed, niemand een been af.

Ik peins dat de post, ondanks het smalle gleufje toch aankwam bij de geadresseerde.


Follow the road

Kiest de weg mij of kies ik de weg? Alle tijd heb ik om daar over na te denken terwijl ik achterin een taxi tussen de koffers gepropt zit. De Italiaanse chauffeur heeft een soort van klapstoeltje uitgevouwen. Mijn knieën zitten ter hoogte van mijn oren maar ik heb een gordel die ik om kan klikken.

De taximens zit voortdurend op zijn telefoon. Hij maakt foto’s van verkeersborden, een selfie achter het stuur en de omgeving langs de snelweg moet er ook aan geloven. Ik zou blij zijn mocht hij zijn stuur net zo stevig in zijn knuisten klemmen als de telefoon.

Door elkaar geschud kom ik aan in Assisi, de reis is goed verlopen, tenminste als je niet bedenkt dat een identiteitskaart terugvinden ook inhoud dat je die eerst kwijt moet raken. Het antwoord op mijn vraag doet er niet meer toe.

Ik ga vrolijk voort.


Verzekering

In het holst van de nacht schrik ik wakker, iets vreselijks heeft me aangeraakt. Wanneer ik paniekerig de lamp aanknip in het vreemde huis in het vreemde bed zie ik de kat. Ze kijkt me strak aan en likt haar snorharen. Ze zit tegen mijn arm aangedrukt.

In de ochtend, het is nog vroeg en het licht nog grijs, stap ik met blote voeten naar buiten om de terrorkat uit te laten. Met mijn grote teen sta ik op een slijmerige naaktslak. Het kost behoorlijk wat moeite om het slakkenslijm van tussen mijn tenen te wassen.

Het beeldige groene kleedje valt geweldig langs mijn lijf. Wanhopig probeer ik de rits dicht te krijgen. In welke bochten ik me ook wring, voor het laatste stuk is mijn arm te kort. Ik trek mijn vest aan om het euvel te verhelpen.

In de auto plaats ik de beker thee in het daarvoor bestemde vakje. Nog voor ik de geleende auto kan starten valt de volle beker om. Thee stroomt in het bakje waar koekkruimels, papiertjes en een haarspeld liggen.

In de namiddag stap ik binnen bij het plaatselijke verzekeringsmevrouw. Ik zou graag de inboedel in de doorzonschool verzekeren en een Nederlandse aansprakelijkheidsverzekering af sluiten. Een mens moet zich toch vestigen voor hij koud is.

Ik moet mijn verzekeringshistorie overleggen. Ik piep dat ik niet echt een verzekering had. Dan zal het niet gaan zegt ze en kijkt me doordringend aan.


Verhuis

Ik heb al weken buikpijn. Geen idee, is het onvervuld verlangen of de verhuis die op mijn maag drukt. Wellicht een beetje van de twee. Onbestemde grom en fluistering, mijn oren spitsen maar ik hoor niks.

Het nakende vertrek naar Italië, mijn rugzak staat me aan te gapen. Af en toe mik ik er iets in. Het lijstje van wat nog mee moet en wat ik nog moet aanschaffen wordt langer en langer.

De kippen, het konijn, ze vertrekken een voor een naar hun logeeradres. Mijn kleren zitten ruimer rond mijn lijf. Ik voel me vreemd verlaten ondanks de mensen om me heen.

In het donkerst van de nacht droom ik van mijn dooie vriendinnen. Ze houden mijn handen vast en zeggen dat uiteindelijk altijd alles goed komt.


Be good

Pas na haar optreden zie ik haar vermomming. Hoe haar blik verzacht, haar handen weer van haar worden. Het foute bloesje verruild voor de zachte pyjama.

Ze doet me wenen. Voorzichtig probeer ik mijn tranen weg te slikken. Ik zou hier, op deze harde stoel, tussen deze keurige mensen, bij een huiskamerconcert, liever niet uitgebreid zitten snikken en snuffen.

Ik zie haar graag nog voor we spreken.