Auteursarchief: vestje

Hap slik

Tevreden zit ik met een tas thee en een overdreven dikke plak cake op een schoteltje in de middagzon. De hond die anders bijna uit elkaar knapt van enthousiasme wanneer ie me ziet hangt een beetje lusteloos in zijn mandje.

Beetje depri? Zijn baasje knikt, hij ligt al de hele dag suffig voor zich uit te staren. Wanneer ik hem lok met een paar kruimels zoetigheid staat hij traag op. Het beest snuffelt tussen de stenen van het terras. Hij smakt vreemd en likt steeds met zijn tong over iets rozigs.

Ik buk om het op te rapen, in mijn hand ligt een roze pil, nat en half afgelebberd. Gatver! Kijk nou, een pil! 

Aha, daar is mijn antipsychotica! Blij roept het baasje van de hond. De hond ligt al weer in zijn mand. Hij kijkt wazig voor zich uit. Af en toe beweegt zijn staart.


Zak

Heb je bananen gegeten? De man naast me in de auto kijkt me vragend aan. Ik denk efkes over een vette leugen maar door al dat nadenken duurt de stilte zo lang dat ik onmiddellijk ontmaskerd zal worden. Het is mijn vuilniszak achter in de kofferbak.

Het Kind, ooit in Gent gesitueerd, een mooie stad maar met een systeem van retedure vuilniszakken, reed wekelijks naar huis met een stinkende vuilniszak op haar achterbank. Wanneer ik op bezoek kwam kreeg ik onder luid protest alvast de halfvolle vuilniszak in handen gedrukt. Het stinkende ding was in de zomer na een paar dagen al een onuitstaanbare bron van stank in haar verder zo pittoreske huisje.

Nu ik zelf in vuilniszakken doe bij gebrek aan een eigen kliko ervaar ik dat vuilniszakken, hoe deftig dichtgebonden ook, geen geschenk zijn dat in dank aanvaard wordt. Mijn moeder wil hem wel in ontvangst nemen maar liefst vlak voor haar container geleegd wordt en ook geen twee want dan kan haar eigen rotzooi er niet meer in.

Kom ik bij het Kind met mijn stinkende zak, die, ik geef toe, wat stiekem in haar afvalbak wordt gezet, krijg ik een enorme preek en een strenge toespraak. Stank voor dank zou ik bijna zeggen.

Godzijdank is daar het werk. Een onuitputtelijke bron van lege en halfvolle afvalbakken die al dan niet stiekem mijn vuilnis zonder morren in ontvangst nemen.

 


Het licht is zachtroze, de geluiden van buiten, een landbouwmachien in de verte, het getok van kippen dichtbij. Door de bovenraampjes in het dak zie ik blauw met witte vegen.

De kleine caravan is nog fris, ik sla het dekbed rond mijn benen. Een bed op wielen, met rode gordijnen, ik voel me prima in mijn nest.

De buren zijn al wakker, ik hoor de fluitketel en het rammelen van serviesgoed. Hun enorme caravan is vier keer groter dan de mijne, hun opvatting van het leven lijkt ook even zoveel malen groter.

De krant van gisteren, verse koffie, kokend hete melk, gluur ik stiekem naar het echtpaar tegenover me. Ons huishouden gescheiden door een mottige heg. Met grote gebaren haalt hij het slot van de dissel, ik kan een hysterische giechel nauwelijks onderdrukken. Slapstickachtige scenario’s waarin dieven het gevaarte met inhoudt achter de auto hangen en wegscheuren.

Ze hebben het te druk om vriendelijk te knikken of een praatje te maken. Er moet gesopt en geveegd en de man, die daddy wordt genoemd moet heen en weer lopen tussen auto en gevaarte.

Het camping leven, het is me wat!

 

 

 


Afval

Ik veeg de straat, vermoeiend in de warmte. Een blaar breekt door in de palm van mijn hand. Zweet rolt in druppels van mijn rug. Bovenlip smaakt zout. Mijn haar moet in een knot.

De man stapt uit zijn auto bij mijn stoep, hij kijkt naar mij. Ik hou je wel in de gaten hoor! Snel kijk ik over mijn schouder want ik ken deze man niet. Kennelijk heeft hij het tegen mij. Het vegen gaat trager en houdt stil.

Zelf ben ik best tevreden. Ik spoelde al de ramen schoon en zie mij hier nu vegen. Mijn nieuwe dorp en ik, het zal best gaan. De man brult opnieuw. Hij wijst naar mijn nieuwe huis.

Je gaat er toch geen zwarte in steken, dan steek ik het in brand.

 


Maten

Het nieuws komt elke ochtend tot mij via radio 1 van de VRT. Ik ben fan alhoewel ik met enige regelmaat zelf veel betere vragen bedenk en die dan ook keihard in mijn auto richting radio zit te brullen.

Zo komt het nieuws van de Thaise jonge voetballers ook tot mij. Ach gossie denk ik, kei eng, geen idee of de redding nabij is, zo donker als de nacht en dan al die enge grot geluiden. Ik hou zo wie zo niet erg van onder de grond en heb een levendige fantasie.

Ochtenden lang volg ik het verhaal en beluister hun uiteindelijke redding. Ik hoor de opgewonden kreten van hysterisch blije ouders. Natuurlijk versta ik geen woord maar de strekking is me volkomen duidelijk. Het zal je kind maar wezen.

Er zijn kinderen verdronken op de Middellandse zee, boten vol vluchtelingen drijven dagenlang op zee, kinderen worden geboren aan dek. Een meisje wordt doodgeschoten door de politie tijdens een achtervolging op een Belgische snelweg.

Moet je je kind maar niet meenemen op de vlucht, het is echt wel de verantwoordelijkheid van de ouders twittert Staatssecretaris Theo Francken. Mensenrechten worden steeds meer als bedreiging gezien door meerderheid in heel Europa, kopt de Volkskrant.

Het zal je kind maar wezen!

 


Decor

Al fietsend verplaats ik me door de coulissen van mijn jeugd.  De geluiden onderweg onveranderd in veertig jaar. In de  verte een dorsmachine, een hond die blaft op het erf van een huis dat ik passeer. Het ruisen van de populieren langs de smalle weg.

Ik wandel met de logeerhond over de grindweg langs het aardappelveld van mijn opa. Wanneer ik mijn ogen sluit ruik ik de geur van opengeslagen aarde. In het voorbijrijden van de Rooienoek zwaai ik naar Oom Arjaon en tante Jaontje. De ongetrouwde broer en zus van mijn opa woonden tot hun dood op de kleine donkere boerderij. Ik weet de contouren achter de hoge struiken.

In de nacht wordt ik soms wakker van de stilte in de straat. Nergens vloeken of juichen mensen, geen auto die weg scheurt of een krijsende buurvrouw.

Het zwembad van IJzendijke is terug. Het diepe met de startblokken, de lange dagen die ik daar elke zomer doorbracht met vriendinnen op het grasveld. Mijn eerste liefje. De meegebrachte boterhammen, de blauwe muffe zwemtas en in de middag een split in de kantine.

Dan belt Walter, zijn stem klinkt nog naar vroeger. De Walter die scharrelde met alle meisjes, een echte tatoeage had en spieren probeerde te laten groeien. Walter zoende me terwijl we onder water zwommen. Ik hield mijn adem zo lang mogelijk in.

Walter was wild, ik ben denk ik nu wel wilder.


Verdoemenis

Ogen stijf dicht, uit mijn keel komen vreemde grommende geluiden, knokkels wit van het knijpen in de ijzeren stang. Mijn lijf in volle paniek kan maar een ding denken: Nee! De zesjarige voor me kraait van plezier, nog een keer gilt ze wanneer we het station naderen.

Mimi please! Ga mee, van proberen kun je leren! Ze wijst met een grijns van oor tot oor en met ogen die stralen als groot licht in het duister met haar gesterkte arm naar een treintje op een rails.

Het is een achtbaan denk ik en daar ga ik nooit in. Misselijk in de draaierij, zeeziek op de steiger, groen wanneer ik drie keer heen en weer zwaai op de schommel.

Ze pakt me bij de hand en voor ik het weet sta ik in de rij. Ik bezie de rit, nergens over de kop, er zitten zelfs kleine kindjes in de machien die ratelend zijn rondjes draait.

Ze belooft om me vast te houden maar stapt uiteindelijk toch liever bij de mama in de wagon. Als een schaap laat ik me leiden naar de hel die hier Crazy Wagon heet. De stang sluit en dan weet ik weer dat het nooit erger zal worden. Dat dit hartstikke fout is. Het geluid van een stoomfluit en ik schiet vooruit.

We mogen een extra rondje want het is niet druk.


Liefde

Haar pet past bij het roze emmertje in haar hand. Ernstig staat ze voor me. Ik zit op een bankje in de zon. Ze wijst op de pet, Sky staat er op. Zo heet de hond, van Pawpatrol. Fonetisch maar perfect uitgesproken. Ze knikt om haar woord kracht bij te zetten.

Dit kindje zou van mij kunnen zijn. In een ander leven op een andere plek. Het zou zomaar kunnen dat de mens naast mij deze gedachte ook heeft.

Want op deze lome namiddag in de zon op een bankje aan zee lijkt alles mogelijk.

 


Foetsie

Juiliette is weg! Het gonst door het huis, er wordt gefloten en geroepen met lange uithalen. Nergens horen we het tikken van hondenpoten op het zeil. Deuren klepperen, stemmen worden schril, de logeerhond is echt weg.

We moeten zoeken, ik trek te voet de stad in, langs de Leie en door het park waar ze uitgelaten wordt. Met een hart waarin schuldgevoel en opluchting met elkaar strijden roep ik laf haar naam.

Mijn liefde voor de logeerhond is geveinsd, stom vind ik haar en best vervelend. Ze kan niet spelen met de bal, ze komt niet als ik haar roep. Maar zo lief voor de kindjes, blaft nooit en kakt niet in de tuin.

Ik roep haar naam ietske luider nu en versnel mijn stap. Na drie kwartier geef ik het op. De hond is weg. Wanneer ik het huis der Paulinen nader komt in de verte een van mijn huisgenoten met de fiets, Juilette rent vrolijk naast.

Ze is binnengelopen bij het restaurant op de hoek. Mijn opluchting ontsnapt met een zucht. Wie weet loopt ze nog eens weg!


Verdwaalspecialist

In de auto loopt het zweet in straaltjes van mijn lijf. Bij thuiskomst, of nou ja wat die dag mijn thuis is, gaan mijn kleren en ik in de was. Regen op bloot vel, onweer in heftige klappen en wilde rukwinden. Ik kan er alleen maar van dromen.

De vierkante meters ramen van de doorzonschool worden gelapt, eindeloos is het soppen en schrobben. Bij gebrek aan huis probeer ik met het poetsen der ramen mij de plek alvast toe te eigenen.

Elke ochtend weer bedenk ik waar ik de volgende avond zal slapen. Zijn het de zachte armen van de Kortrijkse Paulinen, de kamer met de zeegroenappelblauwe gordijnen in de weidse polder, het warme bed van de dochter die niet thuis slaap?

Ik koester mijn keuzes en vervloek de thuisloosheid van mijn bestaan.