Auteursarchief: vestje

Dien

De zon schijnt, door het grote raam valt het licht royaal naar binnen. Je zit in je stoel de voeten op schoot van je lief. Zo lang al samen dat zijn hand zonder kijken kan omvatten.

Jij bent ver weg, onze tranen glijden langs je heen. Hoe graag wij je zouden dragen, nog verder met ons mee het leven door, ons leven, niet het jouwe want dat ben je al lang kwijt geraakt.

Zo zitten we daar te wachten op verlossing. We eten een laatste boterham met zalm, delen de broodjes. Er was zuinig ingekocht, wie wil eten als de dood verwelkomt wordt? Het simpele ritueel van samen eten schenkt ons de  illusie van leven en instant houden.

Jij wil naar bed, daar hoeft niet over gesproken. We weten dat je moe bent. Een voor een gaan we je kamer binnen. Jij zal hier over enkele ogenblikken gewikkeld in doeken liggen. Onbeweeglijk en ver weg.

Ik omhels je een allerlaatste keer en fluister je naam. Meer hebben we niet nodig. Alles is gezegd, onze liefde niet in woorden te vatten.

Elke ochtend noem ik je bij naam. Vaak niet meer dan een flauwe zucht, een kleine opflakkering van energie. Een enkele keer, meestal onderweg, ter hoogte van de Braakman, draai ik mijn raam open en schreeuw het uit.

 


Consult

Dik boven de zestig is hij, een grijze gebreide trui spant over zijn buik. Het donkere haar in een straffe coupe geknipt. Ik zit voor zijn bureau en mijn hoofd bonkt onophoudelijk. Mijn wenkbrauwen wegen te zwaar voor mijn gezicht.

Koortsig en met een hoofd zo vol snot dat elke samenhangende gedachte een onmogelijke opgaaf lijkt leg ik uit hoe beroerd ik ben. Hij probeert ondertussen de computer op te starten. Het duurt eindeloos, het valt hem niet mee dat digitale tijdperk.

Gedachtenloos staar ik naar zijn bureau. Propvol met paperassen, attributen, pennen en een scheerapparaat.  Nog nooit gezien bij een huisarts, niet echt hygiënisch, waarom gebruikt hij geen wegwerpmesjes als hij het haar bij patiënten ergens weg moet halen bedenk ik.

Ik kijk toch al een aantal minuten voor ik de link leg tussen de kleine grijze haarstoppels die verspreid op het bureau en de spullen erop liggen en de gladgeschoren wangen van mijn nieuwe huisarts.


Perceptie

De oudere collega en ik hebben weinig gemeen. Hij weet alles van cijfers en ik raak al in paniek wanneer ik drie getallen moet optellen, laat staan met elkaar vermenigvuldigen. Als ik toekom op het werk zit hij al achter zijn bureau. Overhemd, nette broek, schoenen gepoetst en zijn dunne haar is over zijn roze schelde gekamd. Joviaal is zijn begroeting.

Ik zie in hem de onzeker jongen, zijn uiterlijk nooit mee gehad, groot katholiek gezin, weet wat delen is en wachten tot je geld genoeg bij elkaar hebt geschraapt om te kopen wat nodig is. Nog steeds doet hij zijn best om gezien te worden Hij weet dat ik de jongen zie. We worden nooit vrienden. Hij zit niet te wachten op mijn ongevraagde analyse.

Ik weet dat hij kinderen heeft, die briljant zijn maar evenmin de schoonheid van het leven mee kregen. Ik heb compassie en probeer dat zo goed mogelijk te verbergen. Op verjaardagen trakteert hij met zwier op grote dozen gebak en elke twee jaar staat er een nieuwe auto voor zijn deur. Ik bak cake en rij in rammelende bakken. Hij zorgt voor zijn zieke moeder en doet vrijwilligerswerk. Wij werken niet lang samen.

Ik lees een stukje in de krant over een gerespecteerd lid van de gemeenschap die de kasopbrengst van de kleine sportclub systematisch in eigen zak liet glijden. De sportclub floreert desondanks. Genoeg leden, aanpassingen aan het clubgebouw, geen probleem. Hij wordt beschimpt en met pek en veren overladen. De dozen  gebak en de nieuwe auto, het was de sportclub die trakteerde.

Ik denk aan de kleine jongen die zo graag wil dat iedereen van hem zal houden.

 


De Dichter

De kleine vlam wappert in de tocht die langs mijn schoorsteen de kamer binnenkomt. Ik woon niet bijzonder comfortabel maar het is warm en er is een boom. Ik denk aan de dichter en hoe hij alleen in zijn bed is gestorven.

Na een bezoek aan de buren, ach zouden ze er nog wonen, het was gezellig geweest begreep ik van de buurvrouw, een beetje dronken en ik hoop nog vol van napret in  bed gerold. Dat beeld kan ik makkelijk oproepen. Hoe vaak ben jij in die toestand niet ergens in een bed bij mij neergeploft.

Na een lange avond bij de kachel, met zelfgestookte drank, een spelletje scrabble, en eindeloos de toestand in de wereld doornemen of een lange wandeling door de polders van het Mollekot. Er kwam altijd wel ergens een punt op zo een avond waarop ik je niet meer kon volgen. Niet in drinken en niet in spreken.

Vaak ging ik eerder naar bed. Dan hoorde ik je de trap op stommelen en wist ik je dichtbij. Het had iets geruststellend, dat gerommel op de trap en rond het bed. Ik hoop dat er in je laatste momenten een beetje van die veiligheid van hoe het zou zijn om te sterven met een hand in de jouwe tot daar gekomen is.

Alleen in bed, zou er een schemerlampje aangebleven zijn?

Ik lak mijn nagels met glitters en ontsteek het licht opdat we niet alleen sterven!

 

 

 


Traditie

Ik doe aan skip, geen idee of skip een Nederlands woord is. Mijn Vlaamse krakers gebruiken het woord voor de producten die afgeprijsd zijn in de supermarkt omdat ze bijna over datum zijn. Ik vind het een mooi woord, het klinkt feestelijk en vrolijk.

Nu doe ik elke dag aan skip, geen groter plezier dan gelukzalig producten in mijn mand gooien met de vijftig of vijfendertig procent kortingsstickers. Het liefs heb ik de salades met rare boontjes en van die granen voor mensen die geloven dat ze daar keigezond van worden. Ik heb ontdekt dat ze ook twee dagen na datum nog prima smaken zeker als je de ranzige dressing niet gebruikt.

Met kerst verheug ik me extra op de skip. Al die lekkere exotische voedingswaren waar ik van zijn lang zal ze leven geen fortuin voor neer wil leggen zijn met de korting enorm begeerlijk. Nu is het zover, een uurtje voor sluitingstijd wandel ik stralend tussen de rekken.

Niemand lijkt mijn geluk te delen, opgestapelde karren met chagrijnige mensen die niet op of om kijken. Briefje in de hand en efficiëntie, daar wordt een mens blijkbaar niet gelukkig van.

Ik koop een enorme kerstkalkoen, kalbeljouw voor Portugese kroketten en lekker veel kaas. Twee enorme flessen tonic, niet afgeprijsd, maar onmisbaar voor de enorme gin-tonic die ik straks thuis ga maken, mogen ook mee naar huis. Ik klets uitgebreid met de caissière en negeer de zuchtende man met zijn boodschappen achter mij.

Wanneer ik mijn kar terug in het rek zet vind ik een fles ginger ale, netjes dicht nog. Fijne feestdagen!


Snip snap

Je bent te laat! De vrouw in de witte jas achter de balie snauwt het me toe. Ze kijkt me niet aan maar rukt de envelop uit mijn hand. Ik mompel dat ik echt op tijd in het ziekenhuis aankwam maar dat alle mensen voor me eindeloze vragen hadden of een preek kregen om dat een of ander niet in orde was.

De vrouw heeft besloten dat ze niet meer tegen me spreekt en pakt de telefoon om aan de röntgenmevrouw te vragen of ik nog mag komen. Amper vijf minuten te laat ben ik en als de verpleegkundige die mijn gegevens in de computer moet voeren me niet vermanend had toegesproken was ik min of meer op tijd geweest.

Ik sta ik mijn kousenbroek te rillen in de kille ruimte. Eerst de ene borst die pannenkoek wordt en dan de andere. Het lieve meisje achter de knoppen vraagt me stil te staan. Ik kan nauwelijks ademhalen vanwege de snerpende pijn. Dan moet ik wachten of er nog een echo nodig is.

Eindeloos zit ik in De wachtruimte, zenuwachtig nu want waarom duurt het zo lang. De jaarlijkse controle is om te kijken of een onschuldig spatje niet veranderde in een kwaadaardig monster. Ik fantaseer over de andere mensen in de wachtruimte en bedenk wat ik straks tegen mijn vriendin zal zeggen.

Geen echo dit keer en de huisarts krijgt de uitslag.


Hap slik

Mijn deftige zwarte jurk trek ik aan met een mooie sjaal van Het Kind, ze liet hem per ongeluk liggen op mijn stoel. Optreden in een echt theater, glaasje wijn, toffe muziek, wie weet nog een vage bekende die ik al jaren uit het oog verloor. Ik verheug me bovenmatig op het vrijdagse uitje met twee toffe mannen.

De gitaar heeft een vreemde resonantie en lijkt ook wel een beetje vals. Ik ben een enorme muggenzifter als het aankomt op valse instrumenten. Het knarst zo akelig in mijn hoofd. De mevrouw op het podium verdwaalt in haar bindteksten, ze speelt alle twee mijn lievelingsliedjes.

In de pauze vliegt de keurigheid van mijn mede theaterbezoekers me naar de keel. Ik word er zenuwachtig van. Haren keurig in de plooi, gedekte kleuren in kleding en ze knikken instemmend bij alles wat er gebeurt. Bestellen appelsiensap, eten nootjes en glimlachen beschaafd.

Ik denk: Deze mensen vrijen nooit!

 


Sluizen open

Hank Williams en ik huilen naar de maan. De snik in de stem van de zanger vermengt zich moeiteloos met de mijne. Aan de hemel tekent zich de strakke maansikkel helder af. Langs het kanaal van Gent naar Terneuzen rij ik, het water glinstert.

De bomen van de Braakman lossen hun blad, het kale Zeeuws Vlaamse landschap opent zich. In de achteruitkijkspiegel zie ik de traan elegant vanuit mijn ooghoek over mijn wang rollen. Dolly Parton zingt iets over wilde bloemen.

Erbarme dich van van Bach doet mijn schouders schokken. Het slik spat op onder de wielen van Popje. De polder in donker grijs en dun licht omringt me. De muziekinstallatie van mijn nieuwe auto geeft het verlies een tastbare vorm dit najaar.


Popje

Mijn groot geel urgentievoertuig staat bij de autosloper op de stoep. Eenzaam zo zonder mij stel ik me voor. Ik gebruikte haar als kledingkast, bed en lunchcafe. Menigmaal was ze redder in nood, zelfs lang nadat de gespecialiseerde verpleegkundigen en dokters haar hadden verlaten werden we aangehouden bij ongelukken en verstuikingen.

Schaamteloos kleefde ik me aan de bumper van nog wel met toeters en bellen uitgeruste ambulances. De automassa spleet net zo makkelijk uiteen voor Zus als voor haar officiële broeders.

Mijn auto’s hebben namen. De voorganger van Zus was Snor. Met zijn verfijnde ruitenwissers op de koplampen zag ie er uit als een Franse jazzmuzikant uit de jaren vijftig. Ik hield van zijn velours jaren tachtig interieur met nep notenhouten plastic als finishingtouch,

Voor Zus, van hetzelfde merk maar ietsje recenter, gaf ik met plezier elke anonimiteit op. Haar rood met gele ambulance voorkomen was nergens te negeren. Zelfs de politieagenten in Gent zwaaide enthousiast en van haar oude chauffeurs kreeg ik nog regelmatig een sms met de vraag hoe ze het stelde.

Mijn nieuwe auto is volgens de verkoper een vette bak. Ik knipper zenuwachtig met mijn ogen. De auto voelt als een rugzakje na mijn onbetamelijk grote Volvo’s. De knopjes en schakelaars doen me duizelen. Met negen kilometer op de teller krijg ik zweetvlekken onder mijn oksels als ik denk aan alle paaltjes die in mijn weg zullen staan en deze maagdelijke auto zullen deuken.

Niemand die naar me zwaait of een sms stuurt. Geen knipperende tegenliggers omdat er weer eens een koplamp stuk is. Voorrang krijg ik ook niet meer want niemand ziet in mij nog de chauffeurs van een prioritair voertuig met pensioen.

Verweesd rij ik rond. Hoe heet je nieuwe auto vragen de kindjes als ik thuis kom. Popje antwoord ik vanuit het niets.

 


Doe maar nie!

Waarom moeten de jongens altijd het initiatief nemen? Zestien is de jongen die verontwaardigd rondkijkt in mijn klas. De meisjes zijn unaniem. Natuurlijk moeten jongens het voortouw nemen als de eerste stap gezet wordt naar intimiteit. Op mijn vraag waarom hebben ze niet echt een duidelijk antwoord. Ze willen niet het risico nemen om afgewezen te worden, je wordt al snel een jongensgek, of nog erger een slet genoemd. Eén ding is meer dan duidelijk: Als meisje zet je nooit de eerste stap.

Ik denk aan die jongen in mijn vorming relaties en seksualiteit nu iedereen het heeft over de ongepaste, schofferende benadering van mannen naar vrouwen. Want hoe kan je ooit initiatief nemen en nooit je vingers branden?  Zal je mislukte poging om iemand te zoenen, een bil of borst te aaien eindigen in de hashtag MeToo?

Ik wil het niet hebben over de ongelijke machtsverhouding tussen mannen en vrouwen, minder betaald en meer belaagd om dezelfde job te krijgen. Want welke vrouw kent niet de schalkse knipoog die een compliment vergezelt van iemand op je werk van wie je de goedkeuring nodig hebt om je rol te kunnen spelen? De achterlijke seksistische mopjes die wellicht grappig zijn als een zevenjarige een poging doet  maar beledigend en ver over de datum als een volwassen man zijn gesprekken daarmee doorspekt.

Ooit greep een man me in het café vanaf achteren bij de borst. Hij kreeg wat hij verdiende, een enorme dreun op zijn oog. Geen trauma, oog om oog….
De man die iets te dicht bij kwam staan en een natte zoen op mijn mond probeerde te planten kwam onzacht in aanraking met mijn knie. Over dat soort mannen zou ik het ook niet willen hebben. Die hebben geen hashtag nodig, een flinke ram lijkt me afdoende en een stuk bevredigender.

Waar ik mee in mijn maag zit is de man met macht die zijn positie gebruikt om zijn eigen seksuele behoeftes te bevredigen. Die je in het nauw drijft met opmerkingen, berichten  en mails en overgaat tot handtastelijkheden waar je niet van gediend bent. Die man die als je luid en duidelijk nee zegt je baan, je carrière, je leven naar de kloten helpt door je zwart te maken, denigrerende opmerkingen te maken over je uiterlijk en te liegen over de kwaliteit van je werk en zijn bedoelingen. Uiteindelijk zorgt een man op die positie er voor dat niemand zich nog openlijk met je wilt verbinden omdat die persoon zelf ook met pek en veren de straat opgestuurd wordt. Keer op keer herhaalt dit patroon zich.

Wij allemaal zijn schuldig aan dit gedrag want we houden het in stand. Kijken weg, lachen mee met stupide mopjes, vergoelijken, verzinnen smoesjes over drank, eenzaamheid en verder toch zo goed in zijn werk dan wel ook een goeie peer zijn. Vrouwen en mannen, met zijn allen dragen we de slachtoffers juichend naar de rand. Doe ik dat ook? Ja! Voel ik me daar ongemakkelijk bij? Ja!

Is het zo simpel? Nee.