Auteursarchief: vestje

Popje

Mijn groot geel urgentievoertuig staat bij de autosloper op de stoep. Eenzaam zo zonder mij stel ik me voor. Ik gebruikte haar als kledingkast, bed en lunchcafe. Menigmaal was ze redder in nood, zelfs lang nadat de gespecialiseerde verpleegkundigen en dokters haar hadden verlaten werden we aangehouden bij ongelukken en verstuikingen.

Schaamteloos kleefde ik me aan de bumper van nog wel met toeters en bellen uitgeruste ambulances. De automassa spleet net zo makkelijk uiteen voor Zus als voor haar officiële broeders.

Mijn auto’s hebben namen. De voorganger van Zus was Snor. Met zijn verfijnde ruitenwissers op de koplampen zag ie er uit als een Franse jazzmuzikant uit de jaren vijftig. Ik hield van zijn velours jaren tachtig interieur met nep notenhouten plastic als finishingtouch,

Voor Zus, van hetzelfde merk maar ietsje recenter, gaf ik met plezier elke anonimiteit op. Haar rood met gele ambulance voorkomen was nergens te negeren. Zelfs de politieagenten in Gent zwaaide enthousiast en van haar oude chauffeurs kreeg ik nog regelmatig een sms met de vraag hoe ze het stelde.

Mijn nieuwe auto is volgens de verkoper een vette bak. Ik knipper zenuwachtig met mijn ogen. De auto voelt als een rugzakje na mijn onbetamelijk grote Volvo’s. De knopjes en schakelaars doen me duizelen. Met negen kilometer op de teller krijg ik zweetvlekken onder mijn oksels als ik denk aan alle paaltjes die in mijn weg zullen staan en deze maagdelijke auto zullen deuken.

Niemand die naar me zwaait of een sms stuurt. Geen knipperende tegenliggers omdat er weer eens een koplamp stuk is. Voorrang krijg ik ook niet meer want niemand ziet in mij nog de chauffeurs van een prioritair voertuig met pensioen.

Verweesd rij ik rond. Hoe heet je nieuwe auto vragen de kindjes als ik thuis kom. Popje antwoord ik vanuit het niets.

 


Doe maar nie!

Waarom moeten de jongens altijd het initiatief nemen? Zestien is de jongen die verontwaardigd rondkijkt in mijn klas. De meisjes zijn unaniem. Natuurlijk moeten jongens het voortouw nemen als de eerste stap gezet wordt naar intimiteit. Op mijn vraag waarom hebben ze niet echt een duidelijk antwoord. Ze willen niet het risico nemen om afgewezen te worden, je wordt al snel een jongensgek, of nog erger een slet genoemd. Eén ding is meer dan duidelijk: Als meisje zet je nooit de eerste stap.

Ik denk aan die jongen in mijn vorming relaties en seksualiteit nu iedereen het heeft over de ongepaste, schofferende benadering van mannen naar vrouwen. Want hoe kan je ooit initiatief nemen en nooit je vingers branden?  Zal je mislukte poging om iemand te zoenen, een bil of borst te aaien eindigen in de hashtag MeToo?

Ik wil het niet hebben over de ongelijke machtsverhouding tussen mannen en vrouwen, minder betaald en meer belaagd om dezelfde job te krijgen. Want welke vrouw kent niet de schalkse knipoog die een compliment vergezelt van iemand op je werk van wie je de goedkeuring nodig hebt om je rol te kunnen spelen? De achterlijke seksistische mopjes die wellicht grappig zijn als een zevenjarige een poging doet  maar beledigend en ver over de datum als een volwassen man zijn gesprekken daarmee doorspekt.

Ooit greep een man me in het café vanaf achteren bij de borst. Hij kreeg wat hij verdiende, een enorme dreun op zijn oog. Geen trauma, oog om oog….
De man die iets te dicht bij kwam staan en een natte zoen op mijn mond probeerde te planten kwam onzacht in aanraking met mijn knie. Over dat soort mannen zou ik het ook niet willen hebben. Die hebben geen hashtag nodig, een flinke ram lijkt me afdoende en een stuk bevredigender.

Waar ik mee in mijn maag zit is de man met macht die zijn positie gebruikt om zijn eigen seksuele behoeftes te bevredigen. Die je in het nauw drijft met opmerkingen, berichten  en mails en overgaat tot handtastelijkheden waar je niet van gediend bent. Die man die als je luid en duidelijk nee zegt je baan, je carrière, je leven naar de kloten helpt door je zwart te maken, denigrerende opmerkingen te maken over je uiterlijk en te liegen over de kwaliteit van je werk en zijn bedoelingen. Uiteindelijk zorgt een man op die positie er voor dat niemand zich nog openlijk met je wilt verbinden omdat die persoon zelf ook met pek en veren de straat opgestuurd wordt. Keer op keer herhaalt dit patroon zich.

Wij allemaal zijn schuldig aan dit gedrag want we houden het in stand. Kijken weg, lachen mee met stupide mopjes, vergoelijken, verzinnen smoesjes over drank, eenzaamheid en verder toch zo goed in zijn werk dan wel ook een goeie peer zijn. Vrouwen en mannen, met zijn allen dragen we de slachtoffers juichend naar de rand. Doe ik dat ook? Ja! Voel ik me daar ongemakkelijk bij? Ja!

Is het zo simpel? Nee.

 

 

 

 


Zaterdag

Aan elke hand twee zware tassen stapt ze de supermarkt uit. Kleine stapjes, schijnbaar zwaar beladen. Grijze haren, vermoeide blik van te veel jaren te veel boodschappen. Mama! Een jonge vrouw met blonde haren, donsjas, handen in de zakken van een modieuze spijkerbroek roept.

Een hoofd vol ijzeren krulspelden met een randje van gekleurd metaal duikt op vanachter een donkerblauwe auto. Ik zie in het voorbijgaan de gekleurde plastic prikkers waarmee de spelden vastgezet zijn. De hand met spons gaat met en automatisch gebaar over de zijkant van de auto.

Het kind ligt op zijn buik op het Perzisch tapijt voor de kachel. Zijn Lego als een vloedgolf rond zich heen. Woeste kreten, geluiden van racende machines. Oh jij bent dood, leuke truc he?


Zoef

De weg is smal, aardedonker en glibberig van alle dooie bladeren. Ik hou het slagschip op de weg. De dikke Volvo gaat moeiteloos. Links, links dreunt het in mijn hoofd. Bij De eerste tegenliggers hou ik in, de auto angstvallig in de linker berm gedrukt.

Best goed hou ik mezelf voor, rijden in Engeland, niks voor mij roep ik altijd en kijk mij nou! Mijn metgezellen babbelen ontspannen en ik adem in en uit. De rotonde komt er aan. Ik kijk niet op of om en volg de achterlichten van de auto voor me.

Opgelucht door het succes van niet botsen ontspan ik een beetje. Ik ontdek de techniek van mijn blik strak op de weg voor me houden en de zo de koplampen van tegenliggers te negeren. Onder het rijden fantaseer ik over autovakanties in het romantische Britse landschap.

Links! Links! Met een ruk aan het stuur hou ik de illusie van controle en mij kan niks gebeuren in stand. Gelukkig woont er nog iemand in mijn hoofd die de boel op de weg houdt terwijl ik fluitend op een mooie zomerdag rondjes toer.


Yehaew!

Het paard heeft nogal een eigen wil maar als hij snapt wat de bedoeling is doet hij het heel lief. Ze kijkt erbij alsof ik kei blij zal worden van deze informatie. Dat heb ik weer, de paardentaal nog amper meester. Ze geeft ook nog even mee dat de donkerbruine ruin wel efkes tijd nodig heeft om de informatie te verwerken en best dominant kan zijn. Wat dat betreft lijken we in elk geval op elkaar het dier en ik.

We gaan aan het werk, uit mijn oogehoeken zie ik mijn collega’s van alles foefelen met hun paard. De bruine geeft me geen gelegenheid om te kijken want zodra mijn aandacht verslapt staat ie druk snuivend in mijn persoonlijke ruimte te drummen.

Mijn doel voor vandaag is het paard achteruit over een paal te laten stappen. Niet echt hoogstaand maar voor mij precies goed. Elke keer als ik de eigenares van mijn paard passeer fluistert ze aanmoediging en lieve woordjes richten de kolos. Mummy heeft zorgen over de relatie tussen mij en haar lieveling.

Terecht denk ik want het paard voelt mijn frustratie wanneer ik de druk opvoer om hem netjes achteruit te laten stappen. Ik raak verward in touw en zweep en sta enorm te klunzen. Ik krijg goeie tips die ik zwetend toepas.

Mummy kan het niet meer aanzien. Een kleine krabpauze zal het paard goed doen. Vooral zijn oksel zijn favoriet krabgebied. Een gevoel van schaamte bekruipt me. De arme bruine is al lang in code oranje veranderd.

Mijn armen verdwijnen achter zijn rechterbeen om te krabben, ik zing een zacht liedje. De oren draaien naar me toe. We zuchten alle twee van opluchting en begrip.

Mummy, stapt opzij, ze bemoeit zich niet meer met ons. De tijd die rest brengen we al lummelend in de bak door. Stappen, stoppen krabben, zingen. Ach, ik laat hem nog een keer de oefening doen waar ik zo in vastzat, kan mij het schelen.

Zonder aarzeling doet hij wat ik vraag, in dat ene microment spreken we dezelfde taal. Euforisch kijk ik om me heen, jammergenoeg merkt niemand mijn glorieuze resultaat op. Stappen, zingen, stoppen, krabben………

 

 


Stralen

Onwaarschijnlijk fel zijn de herfst kleuren en het late groen van de weilanden doet nog bijna pijn aan de ogen. Een paard, wit tenminste voor het in de modder rolde, draait met zijn oren wanneer ik binnenstap in de buitenbak.

Tijdens de oefening focus ik me op de stem van Grace, mijn voeten zakken scheef in het losse zand. Adem in adem uit. Waar is je tong, hoe staan je kaken? Niks mag je veranderen dus sta ik als een verkrampte giraffe bewust mijn kaken op elkaar te klemmen. Einde oefening bestaat uit het contact met de drie paarden die rustig grazen.

Langzaam wandelen de dieren richting groepje mens.

 


Schuitje varen……

Het zwarte kussentje lonkt onweerstaanbaar. Het biedt steun aan de twee hoofden van een Oostblok koppel. Zo slapen ze heerlijk op hun modderkleurige fleecedeken. Ik kijk jaloers hoe daar op de vloerbedekking van de veerboot een oase is gecreeerd.

Mijn billen doen zeer, ik hang in mijn stoel. Er is al meer dan een uur vertraging, het schip verlaat de haven nog lang niet. Ik at al chips en chocolade en hou de batterij van mij IPad angstvallig in de gaten want het ding waar ik een boek op probeer te lezen is zo wat plat.

Putje nacht rollen we Groot Brittannië binnen. Bij elke tegenligger druk ik mezelf iets dieper in de stoel van de dikke Volvo. Opgelucht ademhalend als de achterlichten in de zijspiegel verdwijnen.

Bijna begint het dagen van de nieuwe ochtend als we in ons huis voor drie dagen arriveren.


Ik ben er niet

De schuifdeuren gaan automatisch open, ik stap zonder te remmen op een een lege balie af. Iets verderop zit een mevrouw achter haar computer. Ik kijk ietwat verweesd om me heen. De mevrouw zegt niks.

Moet ik bij u zijn? Als ik voor haar sta zie ik dat ze er ietwat besnikt uitziet. Niet van plan blijkbaar om uit te leggen waarom ze niks van welkom uitstraalt. Ik kom mijn adres verzetten. Er valt een stilte. Verhuisd. Ik kijk haar nu aan. Mijn post komt nog op het oude adres.

Nog steeds lijkt er weinig beweging. Uiteindelijk vraagt ze een legitimatiebewijs. Die heb ik niet bij want ik passeerde toevallig van de ene werkplek naar de andere. Als ik het uitleg begint ze toch haar computer op te starten. Ze wil een postcode. Braaf dreun ik die op. We zijn zeker tien minuten verder met veel ongemakkelijk stiltes en onbegrijpelijke berichten.

Mevrouw u kunt wel iedereen zijn! Daar kan ik niet aan beginnen. Ik hoop dat u daar begrip voor heeft? Ik heb geen idee wel antwoord ik zou kunnen geven dus hou ik mijn mond.

 


Bestaat niet

Zwarte Piet moet blijven! Met grote letters en dikke uitroeptekens verschijnt het op mijn Facebookpagina. Mensen die ik ken hebben een petitie getekend die er voor zou moeten zorgen dat alles blijft zoals het is. Nu zou ik dat soms zelf ook wel willen maar op heel andere vlakken.

Stel je voor dat die lieve Dien er nog zou zijn en we samen slap van het lachen tegen elkaar aan konden hangen op de bank. Yvonne die ik nog steeds zou kunnen bellen, de dichter nog te omhelzen, het kind van een liefste niet gekwetst voor het leven, geen nare operaties waar je eindeloos door uit de running bent.

Door alle persoonlijke beslommeringen is de discussie rond al dan niet Zwarte Piet een beetje aan me voorbij gegaan. Wel waargenomen en vaak het hoofd in de handen gelegd en ach, ach gemompeld maar altijd te veel in beslag genomen door mijn echte leven.

Nu schaam ik me daar een beetje voor, ik die altijd op de bariccades springt als het gaat om het neerzetten van stereotype heb de hele Piet discussie gemist. Nu, in volle besef, zie ik die verontwaardigde zure keiboze mensen die moord en brand schreeuwen want wie aan Piet komt, komt aan hun wezen.

Lieve mensen ik zal het dan maar verklappen: Zwarte Piet bestaat niet!


Suskewiet

De hond is broodmager en waar eens zijn staart zat rest een zielig stompje dat hij bangelijk tussen zijn achterpoten verstopt. Aarzelend komt hij naderbij. Ik fluister hem toe dat ik een koekje in mijn tas heb. Voorzichtig doe ik de rugzak af en haal een glutenvrij mariakoekje te voorschijn.

De koekjes zijn het enige substantiële voedsel in de de tas. Een avocado en een perzik weet ik nog ergens tussen de reserve sokken. Hij durft pas een stukje te eten wanneer ik de stukjes koek op de grond leg. Als ik daarna zachtjes achter zijn oren krab sluit het scharminkel genietend de ogen.

Ik doop hem Jezus de Buen Camino, natuurlijk te lang als roepnaam maar toch op een of andere manier bijzonder passend. Uiteindelijk moet ik verder, de tocht kan moeilijk eindigen naast een schurftige hond langs de kant van een zandweg. De hond kijkt me na terwijl ik wegstap. Ik roep hem; Suske! Langzaam zet hij een paar stappen in mijn richting om uiteindelijk onzeker geworden van al die positieve aandacht gewoon rechtsomkeer te maken en weg te sukkelen in de richting die op zijn planning stond.