Auteursarchief: vestje

Maten

Het nieuws komt elke ochtend tot mij via radio 1 van de VRT. Ik ben fan alhoewel ik met enige regelmaat zelf veel betere vragen bedenk en die dan ook keihard in mijn auto richting radio zit te brullen.

Zo komt het nieuws van de Thaise jonge voetballers ook tot mij. Ach gossie denk ik, kei eng, geen idee of de redding nabij is, zo donker als de nacht en dan al die enge grot geluiden. Ik hou zo wie zo niet erg van onder de grond en heb een levendige fantasie.

Ochtenden lang volg ik het verhaal en beluister hun uiteindelijke redding. Ik hoor de opgewonden kreten van hysterisch blije ouders. Natuurlijk versta ik geen woord maar de strekking is me volkomen duidelijk. Het zal je kind maar wezen.

Er zijn kinderen verdronken op de Middellandse zee, boten vol vluchtelingen drijven dagenlang op zee, kinderen worden geboren aan dek. Een meisje wordt doodgeschoten door de politie tijdens een achtervolging op een Belgische snelweg.

Moet je je kind maar niet meenemen op de vlucht, het is echt wel de verantwoordelijkheid van de ouders twittert Staatssecretaris Theo Francken. Mensenrechten worden steeds meer als bedreiging gezien door meerderheid in heel Europa, kopt de Volkskrant.

Het zal je kind maar wezen!

 


Decor

Al fietsend verplaats ik me door de coulissen van mijn jeugd.  De geluiden onderweg onveranderd in veertig jaar. In de  verte een dorsmachine, een hond die blaft op het erf van een huis dat ik passeer. Het ruisen van de populieren langs de smalle weg.

Ik wandel met de logeerhond over de grindweg langs het aardappelveld van mijn opa. Wanneer ik mijn ogen sluit ruik ik de geur van opengeslagen aarde. In het voorbijrijden van de Rooienoek zwaai ik naar Oom Arjaon en tante Jaontje. De ongetrouwde broer en zus van mijn opa woonden tot hun dood op de kleine donkere boerderij. Ik weet de contouren achter de hoge struiken.

In de nacht wordt ik soms wakker van de stilte in de straat. Nergens vloeken of juichen mensen, geen auto die weg scheurt of een krijsende buurvrouw.

Het zwembad van IJzendijke is terug. Het diepe met de startblokken, de lange dagen die ik daar elke zomer doorbracht met vriendinnen op het grasveld. Mijn eerste liefje. De meegebrachte boterhammen, de blauwe muffe zwemtas en in de middag een split in de kantine.

Dan belt Walter, zijn stem klinkt nog naar vroeger. De Walter die scharrelde met alle meisjes, een echte tatoeage had en spieren probeerde te laten groeien. Walter zoende me terwijl we onder water zwommen. Ik hield mijn adem zo lang mogelijk in.

Walter was wild, ik ben denk ik nu wel wilder.


Verdoemenis

Ogen stijf dicht, uit mijn keel komen vreemde grommende geluiden, knokkels wit van het knijpen in de ijzeren stang. Mijn lijf in volle paniek kan maar een ding denken: Nee! De zesjarige voor me kraait van plezier, nog een keer gilt ze wanneer we het station naderen.

Mimi please! Ga mee, van proberen kun je leren! Ze wijst met een grijns van oor tot oor en met ogen die stralen als groot licht in het duister met haar gesterkte arm naar een treintje op een rails.

Het is een achtbaan denk ik en daar ga ik nooit in. Misselijk in de draaierij, zeeziek op de steiger, groen wanneer ik drie keer heen en weer zwaai op de schommel.

Ze pakt me bij de hand en voor ik het weet sta ik in de rij. Ik bezie de rit, nergens over de kop, er zitten zelfs kleine kindjes in de machien die ratelend zijn rondjes draait.

Ze belooft om me vast te houden maar stapt uiteindelijk toch liever bij de mama in de wagon. Als een schaap laat ik me leiden naar de hel die hier Crazy Wagon heet. De stang sluit en dan weet ik weer dat het nooit erger zal worden. Dat dit hartstikke fout is. Het geluid van een stoomfluit en ik schiet vooruit.

We mogen een extra rondje want het is niet druk.


Liefde

Haar pet past bij het roze emmertje in haar hand. Ernstig staat ze voor me. Ik zit op een bankje in de zon. Ze wijst op de pet, Sky staat er op. Zo heet de hond, van Pawpatrol. Fonetisch maar perfect uitgesproken. Ze knikt om haar woord kracht bij te zetten.

Dit kindje zou van mij kunnen zijn. In een ander leven op een andere plek. Het zou zomaar kunnen dat de mens naast mij deze gedachte ook heeft.

Want op deze lome namiddag in de zon op een bankje aan zee lijkt alles mogelijk.

 


Foetsie

Juiliette is weg! Het gonst door het huis, er wordt gefloten en geroepen met lange uithalen. Nergens horen we het tikken van hondenpoten op het zeil. Deuren klepperen, stemmen worden schril, de logeerhond is echt weg.

We moeten zoeken, ik trek te voet de stad in, langs de Leie en door het park waar ze uitgelaten wordt. Met een hart waarin schuldgevoel en opluchting met elkaar strijden roep ik laf haar naam.

Mijn liefde voor de logeerhond is geveinsd, stom vind ik haar en best vervelend. Ze kan niet spelen met de bal, ze komt niet als ik haar roep. Maar zo lief voor de kindjes, blaft nooit en kakt niet in de tuin.

Ik roep haar naam ietske luider nu en versnel mijn stap. Na drie kwartier geef ik het op. De hond is weg. Wanneer ik het huis der Paulinen nader komt in de verte een van mijn huisgenoten met de fiets, Juilette rent vrolijk naast.

Ze is binnengelopen bij het restaurant op de hoek. Mijn opluchting ontsnapt met een zucht. Wie weet loopt ze nog eens weg!


Verdwaalspecialist

In de auto loopt het zweet in straaltjes van mijn lijf. Bij thuiskomst, of nou ja wat die dag mijn thuis is, gaan mijn kleren en ik in de was. Regen op bloot vel, onweer in heftige klappen en wilde rukwinden. Ik kan er alleen maar van dromen.

De vierkante meters ramen van de doorzonschool worden gelapt, eindeloos is het soppen en schrobben. Bij gebrek aan huis probeer ik met het poetsen der ramen mij de plek alvast toe te eigenen.

Elke ochtend weer bedenk ik waar ik de volgende avond zal slapen. Zijn het de zachte armen van de Kortrijkse Paulinen, de kamer met de zeegroenappelblauwe gordijnen in de weidse polder, het warme bed van de dochter die niet thuis slaap?

Ik koester mijn keuzes en vervloek de thuisloosheid van mijn bestaan.

 


Wee

Wanneer ik wakker word wil ik een tas koffie drinken in de bar op de hoek van de straat waar de vrouwen met hun elleboog op de rand van de bar steunen en met de andere hand wild gesticuleren om het verhaal kracht bij te zetten.

In de polder tussen Waterlandkerkje en Schoondijke sukkel ik langzaam achter twee mensen op de fiets. Ze zetten niet aan terwijl ze me zeker horen. Alle twee dragen ze een fluogeelshirt met in zwarte letters de naam van een plaatselijke buurtsuper.

Soms slaap ik in Waterlandkerkje soms ergens anders. Vandaag zit ik met mijn billen op de trappen aan de Leiekaai. De grijze steen is warm. Ik eet een ijsje. Traag stroomt het water. Een blikje drijft voorbij. Het mijmeren gaat mij niet goed af.

Ik mis de wortels van het bestaan. Geen huis, geen plek, overal passant. In vreemde bedden droom ik van wroeten in de aarde, vijvers in aanleg en stenen die ik sjouw. De koffie in de cafetiere druk ik voorzichtig naar beneden. Met een scherpe knal spat de pot uit elkaar. De bodem is uit de pot geduwd.

 

 

 


Foefelare

Perfect onderhouden, instapklaar! Het huis waarin ik een jaar woonde staat te koop en ik lees de beschrijving. Ik denk aan de slijmerige schimmel die meer dan een meter hoog in de hoeken groeit in schilderachtige tinten. De kelder die twee keer per jaar onder water staat en hoe de electriciteit bij voorkeur in het donkerst van de avond om onverklaarbare reden stopt met werken.

Onhoudbaar is de situatie in het huis en met spijt in het hart laad ik al mijn spullen weer in dozen. Zouden de Roemen in hun witte busje met smeer en verfspuiten weer de gebreken wegmoffelen?

Wat zal het fijn zijn om weer in je eigen bed te slapen. Mijn reisgenoot zucht van vooruitgeluk. Net voordat ik kan verhalen over het verlangen naar mijn eigen bed realiseer ik me dat mijn bed afgebroken in een ouwe doorzonschool staat, te wachten op vergunningen en betere tijden.

Mijn rode koffer en ik zullen nog een tijdje samen door de wereld trekken.

 

 

 

 


Vol

Nooit zag ik intenser blauw, dieper rood of stralender geel. De kleuren van de schilderingen van Michelangelo vliegen je naar de strot. De vleugels van de engelen bewegen zodra ik knipper met mijn ogen. Verrukking heeft een nieuwe lading gekregen na het bezoek aan de Sixtijnsekapel.

Het schilderij van Maria met de blote borst en een verzadigde Jezus op haar schoot is dan weer van een heel andere orde. Ontroerend en sensueel tegelijk, geen idee of dat ooit de bedoeling was maar het effect is groots.

Geen pap kan ik meer zeggen, mijn hoofd is zo vol dat er werkelijk geen flintertje beeld meer bij kan.


Calma, calma

Om tien uur in de morgen geeft de thermometer al 34 graden aan. Later op de dag durf ik zelfs niet meer te kijken. Wanneer ik tussen de middag op blote voeten het dakterras oversteek om te lunchen verbrand ik mijn voetzolen.

Om het Colosseum in te kunnen moeten de tassen door de scan. Het flesje olijfolie van mijn voorgangster moet in de prullenbak. Met veel misbaar en grote gebaren maakt de man achter het kastje duidelijk dat het een misdaad is om glas mee te nemen in zo een monument. De twee injectienaalden in mijn tas, om straks als Dokter Bibber blaren door te prikken, mogen dan weer wel mee naar binnen.

Ik staar van de bovenverdieping van het indrukwekkende gebouw naar beneden, de dierenverblijven, de plek waar de gladiatoren naar buiten kwamen en de arme drommels de vloer opgejaagd werden: Ik zie het zo voor me.

Ik volg in Italië het nieuws over de peuter die blijkbaar in België niet had mogen zijn en doodgeschoten werd door de politie, de berichten van een staatssecretaris die de wetten aan wil passen zodat we mensen op de dool, de arme drommels van nu, wat makkelijker van ons af kunnen schudden.

Mocht ik brood en spelen organiseren in het Colosseum van vandaag: Ik wed dat ik al uitverkocht zou zijn nog voor er een toegangskaartje gedrukt was.