Categorie archief: concentratieproblemen

Flash back

Met een arm rond mijn middel en zijn mond tegen mijn oor voert hij het gesprek. Zodra zijn mond in het verhaal zachtjes mijn oor raakt ben ik terug in de tijd. Ik herken de contouren van zijn lijf onder lagen kleding.

Nooit sliep ik zo teder en stevig geborgen als in zijn armen. In het huis waar de bomen hoog bovenuit torenen en de kasten met de spiegels mij van alle kanten weerkaatsen.

In de diepte van mijn dromen lak ik mijn teennagels paarlemoer roze, zoals de binnenkant van een schelp. Zo tekenen mijn glanzende voeten zich scherp af tegen de donker houten treden van de trap die ik langzaam maar zeker beklim.

Ik weet de deur daarboven en daarachter de man die me zal optillen, mijn voeten in zijn handen zal nemen, beslist maar teder, het dek om me heen zal slaan om de wereld buiten te sluiten.

Vlak voor de bovenste trede word ik wakker en huiver kippenvel op mijn koude armen en benen.

 

 

 

 


Kniptang

De man naast me klopt als een waanzinnige op zijn lijf: Ik ben mijn fietssleutel kwijt piept hij. Tot twee keer toe haalt hij al zijn zakken leeg maar de sleutel is nergens te bekennen. Kwijtgeraakt terwijl ik op de deken lag denkt ie.

Net nog was het dekentje gespreid in de grote tent op de weide en nu heb ik het flink uitgeslagen in de warme buitenlucht. Beteuterd kijk ik rond me. Het gras is platgetrapt door de honderden voeten die hier de afgelopen dagen passeerden. Nergens zie ik een kleine zwarte fietssleutel.

Op goed geluk loop ik nog terug naar de grote blauwe tent om daar de grond af te speuren. Het concert van Flip Kowlier is net lekker op stoom gekomen, ik probeer de dansende voeten te ontwijken terwijl ik zoek. Een meisje, ze heeft een hoed op van kartonnen dienbladen, biedt spontaan aan te helpen als ze me naar de vloer ziet turen. Ik wimpel haar vriendelijk maar dringend af. Voor je het weet loopt de halve concert tent naar een fietssleutel te zoeken.

Bij de info hebben ze niks binnen gekregen en ook de afdeling Gevonden Voorwerpen heeft de sleutel niet. Plots dringt het beeld van een grote rooie brandweerauto op. Naast de fietsenstaling staan de pompiers, die willen misschien wel helpen met het slot doorknippen.

Met vier springen ze uit de auto als ik de situatie uitleg. Even nog is er twijfel want wie weet is de fiets waarvan ik het slot wil laten doorknippen niet van mij en stelen ze daar per ongeluk een fiets. De drang naar actie en avontuur is te groot om weerstand aan te bieden en voor ik het weet loop ik omringd door brandweermannen waarvan er één een kniptang van minstens een meter onder zijn arm heeft naar de fiets.

Deze is het wijs ik de mannen. Ik zie dat de zwarte sleutel in het slot van de fiets zit.


Nood

Het ochtendlicht is nog maar net van zijn grijs ontdaan als ik ontwaak. Het zand vochtig aan mijn voeten voel ik een enorme plas op komen. De vissers op een meter of vijf afstand draaien zich met regelmaat om de wormen aan de haak te doen en de hengel uit te gooien.

Het gevoel van plassen laat zich maar moeilijk negeren. Ik verleg me in een ander houding, de druk blijft. Ik babbel over koetjes en kalfjes terwijl ik mijn hand op mijn blaas leg in de hoop op verlichting. Ik wil niet gaan zitten in het zicht van de hengelaars.

Als ik recht sta komt het besef van geen onderbroek dragen. Opgelucht stel ik me tussen de rotsen. Mikken blijkt niet mijn sterkste kant.


Kinky

Vertraging, lange trage rijen, een piloot die vliegt als een dronken aardbei waardoor mijn knokkels wit zijn van het angstig knijpen in de leuning van de stoel. Het is warm en zweeterig als ik aankom, zware rugzak, regenjas over de arm op weg naar de autoverhuurder knijp ik de ogen tot spleetjes om de vibrerende explosie van geel, groen, blauw en bleekroze te kunnen hanteren. Mijn ogen staan nog ingesteld op Hollands grijs.

Het is donker bij aankomst in Lissabon, de ruiten van de auto wijd open waait de warme wind naar binnen. Steile nauwe straatjes, een paar keer sta ik vertwijfeld met de auto voor een trap, uiteindelijk parkeer ik op een flinke helling op een pleintje. Er is nog plek in de herberg hebben we net aan de telefoon gehoord. Op weg naar de deur passeer ik de bar met nauwelijks aangeklede meisjes.

De bel van de receptie galmt door het gebouw, een dame in een korte blauwe schortjas met witte biesjes opent de deur en heet ons welkom. Ze gaat voor naar een kamer op de derde verdiep. Glimlachend overhandigd ze de sleutel. Met een zucht van opluchting, van reizen wordt je best wel moe, stap ik de drempel over.

Als bevroren blijf ik staan als ik me zelf weerspiegeld zien in de spiegels die van de muren tot het plafond lopen. Het bed is zo gepositioneerd dat je elke minutieuze beweging minstens in drievoud terug ziet. Als ik ga plassen liggen de handdoeken op de rand van het bidet al klaar.


Ontoerekeningsvatbaar

Hier is de zaklamp, eigenlijk zegt ie pillamp maar wie verstaat dat nu. Ik krijg de kleine maar felle zwarte lamp in mijn hand gedrukt. Net leek het nog een prima idee om de oude kartonnen dozen in de kelder van het kraakpand op te bergen.
Kweetnie hoe handig als we spullen naar het stort moeten brengen beargumenteerde ik, dan kunnen we meteen sorteren.

Niet opgewassen tegen zoveel redelijkheid knikt de man in zijn gestreepte fluwelen broek vanuit zijn bus vol met spullen die leeg moet omdat er morgen drie piano’s in moeten passen.

Nu sta ik daar met drie kartonnen dozen in mijn armen en de zaklamp in mijn hand geklemd boven aan de trap. Een donker gat gaapt me toe, ik weet zeker dat er spinnen zitten. Pas je op dat je niet van de trap valt? Die is hartstikke steil. Gooi de dozen eerst maar naar beneden. Het is een groot spel daar.

De man staat achter me. Hij lijkt niet echt van plan om zelf naar beneden te gaan. Ik laat me niet kennen en gooi de dozen voor me uit naar benden. Met een doffe klap komen ze neer, stof dwarrelt op. Voorzicht daal ik de smalle treden af. Ik voel een spinnenweb langs mijn gezicht strijken en huiver. Ik zet de dozen net uit het zicht achter het hoekje.

Voorzichtig schuifel ik door de krochten van het pand. Mijn zomerjurk beweegt als een kleurige veeg tussen het vuil en stof. Ik probeer zo min mogelijk aan te raken. Na de laatste doos klim ik opgelucht naar boven. Daar staat de man achter de smalle deur te wachten. Zo nu de deur op slot en de sleutel weggooien Ik kan een zenuwachtige giechel nauwelijks onderdrukken als ik het warme zonlicht instap en me verstop in zijn armen om zijn troostende geur op te snuiven.


Dichter

Elke keer als de man hoest, de spieren in zijn tengere lijf in een kramp om meer lucht te krijgen, zie ik het smalle gezicht van Yvonne voor me. Hoe ze ligt in bed, haar ogen gesloten, de borstkast die vederlicht op en neer gaat bij elke ademtocht. Haar handen ontspannen op het kussen, de witte poes aan haar voeten.
De eindigheid van haar leven in brede penseelstreken als lijnen in haar gezicht.

Na het hoesten vouw ik mijn handen met gekruiste vingers om zijn heupen en krul mijzelf achter zijn rug tot een ongeruste komma. De ijskoude angst van verlies heeft zijn klauwen diep in mijn vlees geslagen.


Sky High

Honingblond geverfd haar, zonnebankbruine teint, lippenstift, donker aangezette ogen, ragdunne nylons die verdwijnen in camelkleurige hooggehakte schoenen. Haar blik voortdurend gericht op de man naast haar. Ruitjes hemd en dure jeans, zijn hand rust op haar bovenbeen. Langzaam kruipen zijn vingers naar boven onder de rand van haar zwarte jurkje. Ze lacht, tanden bloot, hoofd een beetje achterover verplaatst hij zijn hand naar haar buik waar zijn vingers rondjes draaien.

Elke keer als ze haar benen over elkaar slaat vang ik een glimp op van haar slipje, maagdelijk wit.


Visioen

Diep in de negentig schuifel ik met mijn wc rolletje in de hand door het verpleegtehuis. Ik interview mijn medebewoners over belangrijke zaken. Boven mijn hoofd steekt de bamboestok die ik gestolen heb uit de beleeftuin waar ie de tomaten recht hield. Ik heb hem vastgeklemd onder mijn bh. Want een reporter zonder antenne is als een eitje zonder zout.

Ik sluip door de gangen op mijn pantoffels om de laatste nieuwtjes en roddels af te luisteren. Zittend achter een tafeltje in de gemeenschappelijke ruimte brul ik ze gedecideerd en met kritische blik door mijn wcrol de ruimte in. Als er iemand naast me wil komen zitten wuif ik die met brede gebaren weg en maan ze tot stilte. Wat denken ze wel mijn uitzending te verstoren.

Omroep Zeeland!. Met enige regelmaat floept het zo mijn mond uit als ik de telefoon opneem. Bij voorkeur als ik een beetje niksig voor me uit zit te staren, gedachten op oneindig. Er zijn rollen die ik maar moeilijk afleg.


Plas

Net na vieren wordt ik wakker, mijn buik doet pijn en ik moet plassen. Zo lang mogelijk probeer ik het verlaten van mijn warme nest uit te stellen. Als het echt niet meer gaat klim ik de wankele ladder af.

Mijn blote voeten kletsen op het koude beton, steentjes en stof tussen mijn tenen. Bij het plassen word ik overvallen door messcherpe pijn, de tranen springen in mijn ogen. Ik wieg mijzelf heen en weer van pijn en schrik.

Veel drinken, spreek ik mezelf moed in dan zal het overgaan. Een tas dampende thee neem ik mee naar mijn zachte warme bed in hoop op verlichting. Ik pers zeven sinaasappels uit voor extra vitamine c en eet twee cranberypillen die ik vind in een oude medicijndoos.

Het gaat niet beter, niet na twee potten warme thee, zelfgebreide sokken en twee paracetamollen. Ik spoor mijn witte bloedcellen aan om de akelige indringers te lijf te gaan maar eindig rillend van de koorts op de bank.

De mevrouw van ’t Spoed geeft me een potje om in te plassen. De aandrang is enorm, ik haal met moeite het toilet. Voor de balie wacht ik met in mijn hand het warme bekertje. Mevrouw Spoed zit aan de telefoon haar computerproblemen te bespreken. Zorgvuldig vermijdt ze mijn blik.

Als er een traan over mijn wang rolt legt ze de telefoon neer en pakt zonder iets te zeggen mijn roze gekleurde plas aan.


Verloren wezen

Ze friemelt zonder onderbreking aan haar vest terwijl ze haar verhaal vertelt. Ik luister op de stoep met een glas witte wijn, druppels aan de buitenkant, natte vingers, hond aan mijn voeten.
Meer nog dan de woorden die ze uitstort vertellen haar lichte ogen van de pijn en de verwarring.

Het verhaal is al duizend maal verteld in een poging het kwijt te raken. Haar wanhoop maakt me stom.