Categorie archief: dagelijkse beslommeringen

Prik

Doe de kleren maar uit! De man laat me na deze boodschap achter in een kamer met een bureau en een met een papier bedekte behandeltafel. Mijn voeten op het frisse zeil sta ik een vijftal minuten te wachten. De man doet in een andere ruimte koetchiekoetchiekoe tegen een hond.

Ik zet me dan uiteindelijk, want de man begroet de hond nog steeds, op de behandeltafel. In mijn ondergoed, want al de kleren uitdoen lijkt me overdreven. Een chinees gelukspoppetje en een kat die op energie van de zon, maatvast, zijn poot op en neer beweegt houden me gezelschap.

Leg u maar neer! Omdat ik niet weet waar hij mijn hoofd verwacht gebaar ik met mijn voet naar een kant van de behandelplek. Het papier ritselt. Woordeloos wijst hij, op de buik.

Steunzolen mevrouw, u ene heup zit hoger dan de andere. Minstens één centimeter. Ik wijs naar mijn elegante schoenen die bij het bureau op mij wachten. Dat daar geen steunzolen inpassen snapt deze man op saaie zwarte instappers ook wel. Draag die dan bij speciale gelegenheden. Hij glimlacht minzaam.

Ondertussen heeft hij een pakje naalden in zijn hand. Zonder aankondiging jast hij ze in mijn lijf. Het doet gemeen zeer. Ik moet mijn best doen om mijn been niet weg te trekken.

Voor mij is elke dag een speciale gelegenheid! Ik zeg het flinker dan ik mij voel. Volgende keer geef ik u kruiden antwoord de man.

 

 


Hips

Bij het derde glas wijn begint mijn s zachtjes te slissen. Vanmorgen werd mijn ijzerwerk weer aangedraaid. De tanden in mijn mond protesteren tegen zoveel geweld en maken het eten onmogelijk. Flauw sabel ik op een stuk meloen, tegen beter weten in probeer ik het zachte midden van een speltboterham.

Niks hapt lekker weg, chagerijnig zip ik van de koele witte wijn terwijl mijn gedachten rondjes draaien. Slok na slok word mijn wereld d waziger en het metaal in mijn mond groter. Ik laat het allemaal slopen murmel ik tevreden terwijl ik nog eens inschenk.

 


Stokstijf

De hitte van de gloeiende kooltjes van het vuur dringt door in de steen waar ik met mijn rug tegen leun. Ik lik de laatste restjes eend met tomaat en uien van mijn vingers en schuif de pot die in het vuur heeft gestaan met mijn voet opzij. Zuchtend van tevredenheid strek ik mijn benen.

De fles witte wijn staat onder handbereik, niet meer kraakfris maar goed voor een regelmatig slokje. Ik leg de deken over mijn benen en staar naar het donkere bos voor me. In het maanlicht zie ik de contouren van de bomen, er zijn sterren en er pinken rode lichtjes van de vliegtuigen die richting Zaventem vliegen.

Ik spits mijn oren bij het horen van geluid recht voor me, zeker een beest, het gekraak en geritsel wordt luider. Mijn spieren spanen als het dichterbij komt. Dan wordt het doodstil, het enige hoorbare is mijn ademhaling, oppervlakkig en gejaagd. Ik ga op mijn hurken zitten, klaar om weg te springen of te roepen. Ik weet heel zeker dat er op een paar meter afstand iets zit wat naar me loert.

Zo zit ik in opperste concentratie. Een eeuwigheid lijkt het tot het ritselen weer begint, weg van mij, het vuur en de deken. Zenuwachtig giechel ik mijzelf gerust. 


Café picknick

Achter de bar is het zo donker dat de barvrouw op de tast haar flessen zoekt, verder op in het café is de schemer ook bijna duister. Ik baan me een weg door de mensen naar achteren. Daar zitten mijn vrienden. Ze zijn al een straat of wat verder dan ik. Druk in gesprek klinken de glazen.

Ik nip van mijn goedkoop sinasappelsap waarvan de zurigheid me in de maag rispt. Op een paar meter afstand zit een man. Hij haalt uit zijn tas een brood, een pot choco en kaas. Hij telt de sneetjes die hij hebben wil en legt die op een stapel op de tafel voor hem. Stoïcijns begint het smeren, boterham na boterham wordt netjes belegd en daarna doorgesneden en aan de kant gelegd.

Als de ongesmeerde boterhammen op zijn kijkt hij in zijn reusachtige rugzak. Hij stopt het mes erin en haalt een kokosnoot boven. Peinzend wordt de noot bekeken. Ik wacht ademloos af. Straks haalt hij een hamer uit zijn rugzak en knalt ie het ding aan flarden bedenk ik.

Hij weegt de noot in zijn hand en neemt dan zijn beslissing. Het beleg, het brood en de kokosnoot worden netjes opgeborgen.
Jammer zucht ik stilletjes vanaf de zijlijn, ik had de knal graag gezien.


Tochtje

De boot is groot, wit en blinkend. De man aan het stuurwiel oud en zenuwachtig. Ze slaan een arm van de Leie in waar de brug laag is. De boot kan er niet onderdoor. Er is veel vaart, de man draait aan zijn wiel, de vrouw drukt op een knop. Van alle kanten komen en bootjes aan. De rondvaartboten, onverstoorbaar in hun baan, de kano’s met kindjes, een pruttelende motorsloep zo zwaar geladen dat het water bijna over de boorden klotst.

Het draaien gaat niet vlot, de vrouw staat klaar met een houten stok om de boot af te duwen van een aangemeerd schip en de betonnen rand van de kade. Ik sta met mijn armen geleund over de gietijzeren leuning. De man vloekt, de lippen van de vrouw vormen een smalle streep. De opluchting op hun gezicht als ze weer de juiste kant opvaren, weg van de onneembare brug is bijna tastbaar.

Ik kijk naar het water beneden me, het klotst wild. Op een vlot staat een kleine zwarte pluizige meerkoet uitzinnig te piepen. Zijn ouders in opperste paniek zwemmen rondjes. Een paar meter verder in het water drijft het nest, ondersteboven.


Lekker ding

Ingespannen zit ik op zijn computer te tikken, het ding werkt voor geen meter, de bril op het puntje van mijn neus het licht stroomt binnen door de grote deuren. Hij drink zijn koffie met kleine slokjes. Je hebt een snor, dat zie je echt goed in dit licht.

Mijn handen om zijn middel voel ik de ribben met mijn vingertoppen. Jeetje, jij bent best dun
hij grijnst en laat zijn hand op mijn heup rusten: Jij bent best dik!

Als ik later op de dag achter mijn bureau zit voel ik nog eens aan mijn middel en trek de riem een gaatje strakker.


Zaterdag

IMG_0228
Het fluitekruid schuimt hoog en fragiel in de bermen. Fel groen, nat gewassen door verse regen, straalt zo helder dat het bijna pijn doet aan mijn ogen. De wind, fris, blaast mijn wangen gloeiend rood.

Ik denk aan de hond, die het hier fijn zou vinden, snuffelend naar suffe hazen in de berm. Haar zachte oren om te strelen.

Hoe in de tijd besloten ligt wie we wanneer ontmoeten, de kracht van een hand die warmte geeft op mijn witte vel. Een zachte natte stoute zoen die me onmiddellijk doet reageren.


Serie

Gesprekken over lenzen en instellingen, fototoestellen die vergeleken worden. Meestal begrijp ik er geen snars van. Toch mag ik meedoen met de themagroep voor mensen die al kunnen fotograferen. Ik doe maar wat meestal en gebruik mijn Canon als een soort analoog toestel. Géén eindeloze opname van hetzelfde object die ik dan analyseer tot de perfecte scherpte en de ideale balans gevonden is. Bij mij moet het in een keer goed zijn en achteraf geen bewerking nodig hebben om aan kracht te winnen.

Gespannen zoek ik een serie foto’s uit om te presenteren. Zoals altijd schakel ik mijn ratio uit en kies ik op gevoel. daarvoor moet ik wel mijn onzekerheid verdringen. In het gezelschap van de in mijn ogen technisch veel kundigere fotografen voel ik me vaak onervaren en niet in staat mee te liften op de flow van hun gesprekken.

Geen idee wat een citroen, een dood onvoldragen hondje, het kwetsbare portret van een jongen van net zeventien en de begeerlijke billen van een meisje in Brugge met elkaar te maken hebben, toch kies ik ze zonder aarzelen. Ze vormen samen met een zwerfhond, een lachend paard, een kale etalagepop en de afgezakte broek van een oude Franse man mijn serie.

Nu hangen ze aan een touwtje in het lokaal ter beoordeling. Er wordt tevreden gehumd, ik mag uitleg geven. De conclusie is dat ik documentaire fotografie bedrijf. Dat klinkt wel een stuk beter als “ik doe maar wat”


Droomarbeid

Zo vind ik mezelf terug tussen de half lege glazen witte wijn en de amper gelezen papieren met courante informatie, dromend over documentaires die zomaar weer binnen handbereik komen.
De geheimzinnige schemerwereld van een hoofd vol stemmen en onbekende beelden vorm gegeven in kamers vol dozen, papagaaien en lege flessen of met een enkele matras in de hoek.

De hele dag voel ik de lach in mijn buik naar boven borrelen. Mijn laffe halfslachtige pogingen om fantasie onder controle te houden mislukken jammerlijk. Ik denk aan de bezemkast en de mogelijkheden die zo’n donkere kleine ruimte kan bieden. De zon verwarmt mijn rug terwijl het bloed ruist in mijn oren.

In het donker wandel ik langs de paden, een zeldzame wandelaar kruist mijn pad. Het brakke water ruikt naar zomer en belofte. Ik roep de hond dichter bij me, ik zie nog net het witte puntje van haar staart. Ik denk aan een boerderij in de zomer, met honden, een moestuin en mijn piano.

Net over de streep, binnen handbereik neurie ik een onbestemd en zelfbedacht lied.


Op Til

DSC03171
De tippen van mijn tenen duwen met alle kracht het asfalt weg. Ik zet me af, kom weer neer, keer op keer. Ik voel het zweet in druppels van mijn lijf rollen. De zon blinkt op het water en in mijn ogen. Luidop en vals zing ik mee met de muziek in mijn oren.

Verschrikt kijkt de man op die zijn krukje uitklapt op in alle rust het zicht op de Schelde vast te leggen. Hij grijnst als hij me in mijn fladderende broek en wapperende jaspanden voorbij ziet sprinten.