Categorie archief: Hoop

Nee!

Ik heb een slaapzak op reserve, nou ja het is een geleende die ik nooit terug gaf, schoenen, lekker warm ook. Wollen dekens, sokken, dikke truien, noem het en mijn kast ligt er vol mee. Toch denk ik er niet over om ze naar de vluchtelingen in Calais te brengen.

Mijn kast staan vol met pakken rijst, suiker en andere eerste levensbehoeftes. Ook die sta ik niet in een kartonnen doos te pakken om aan de vluchtelingen te geven. Ik hoef nochtans de brug maar over te steken om bij een inzamelingspunt te komen.

Ik zou me doodschamen om deze spullen te geven aan de mensen die soms al meer dan in jaar in een van dekzeilen en mottige lappen gemaakte tent op een vuilnisbelt aan een van de scharnierpunten van Europa wonen. Mijn tenen krullen als ik de reportages zie. De berg spullen waar deze mensen niet om gevraagd hebben maar die ze toch geacht worden dankbaar in ontvangst te nemen.

Ze willen een leven, een kans op een menswaardig bestaan en een simpele toekomst. Geen extra deken maar een politiek statement en een juiste keus  tijdens de verkiezingen op partijen die menselijkheid, delen en compassie in hun programma hebben staan.

Ik lig ’s nachts wakker en fantaseer over betogingen, rijen mensen die passeren met spandoeken waarop ze roepen om solidariteit en verdraagzaamheid.

Onmachtig deel ik in de morgen met een hoofd vol zorgen Facebook berichten die mijn piekeren in de donkere nacht verbeelden.  Ik blijf dromen en hopen dat er een daad is die ik bij het woord kan voegen.

 


Weids

Reusachtige walvissen op een wit doek met zwarte stift, de twaalf apostelen, piano spelen tot diep in de nacht, dansen op lang niet gehoorde muziek. Soms is de beslissing nemen genoeg om de ruimte in je hoofd te verveelvuldigen.

Ik ruik weer de geur van de herfst, zie het veranderde licht, voorzichtig en uiterst langzaam peuter ik aan de harde schil die nu nog mij is.

 


Stromen

De man staat op het podium in een soort boxershort, blauw met witte streepjes. Bruine sokken, de rechter een beetje lager dan de andere in donkere veter schoenen. Tijdens het zingen steekt ie zijn tong uit en rolt wild met zijn ogen. Hij slingert zijn gitaar van links naar rechts.

Zijn grijze haar staat recht overeind, hij is de zestig al lang gepasseerd. I know your mother zingt ie. De tranen rollen als vanzelf over mijn wangen. Hij weet als geen ander de essentie te raken van grote liefdes die nooit echt voorbijgaan.


Nachtelijk

Met mijn rug tegen de warme steen en mijn billen op de slaapzak kijk ik uit over zee. De maan is vol, het silhouet van de vissers daar waar de rotsen eindigen en de zee begint. Ik drink lauwe wijn uit een fles. We spreken zacht over pijn en geluk en de onvermijdelijkheid van het leven.

Het is laat, de wind nog warm, af en toe stapt er een visser op zoek naar de perfecte stek voorbij.

Dan is daar de zwerm: Zilveren vogels vliegen in een fragmentarisch patroon voorbij de zachte gouden maan, naar een andere tijd, een andere plek. Voorzichtig vraag ik aan de man naast me “zag je ze ook?”


Passant

Nachten lang krijg ik visite van de hond. Ik zie alleen zijn enorme kop met vierkante kaken, zijn grijze snuit, witte bles op zijn borst en zijn voorpoten. Het beest kijkt me met zijn lichte vreemde ogen indringend aan. De kop een beetje schuin zit hij daar een aanschouwt me. Hij blaft of piept niet, de enige beweging komt van zijn snorharen die hij af en toe laat trillen.

Mijn dromen, vol van emotie en verhalen brengen hem niet van zijn stuk. Als ik denk dat hij me vergeten is, of ik hem, vang ik een glimp op van zijn schaduw. Daar ben je weer mompel ik zacht en nestel me in de kussens. Het komt niet in me op hem aan te raken. Soms roep ik in mijn dromen: Hoepel op!

Het brengt hem niet van zijn stuk, nooit zag ik zijn lange dunnen zwiepstaart in de verte verdwijnen. Hij is daar en ik ben hier.


Veilige haven

Het bed is een beetje wankel aan een kant, gelukkig staat daar een pianokoffer tegenaan zodat je niet makkelijk naar beneden rolt. De kier tussen het bed en de glazen tussendeur is gevuld met een boek, plastic poepzakjes voor de hond, een kinderbandrecorder met microfoon en een boel kleren. Veilig want zo kan je niet per ongeluk met je knie een glazen ruitje stuk tikken.

Ik lig met één hand onder mijn hoofd en kijk naar buiten. Het licht valt groenig en gefilterd binnen. De zon maakt vreemde patronen op het versleten vliegengaas. Voor het raam staan ruiten van velerlei formaat om in de winter de koude buiten te houden. Nu is het warm.

Ik luister naar de pianomuziek, het klatert en rolt. Ik hou het meest van het lied van de Walvis. De herhaling, het patroon, het ritme dat komt en gaat raakt iets, van ver verleden, ergens in mijn borstkas, die mee beweegt synchroon met de handen die de piano beroeren. Het is niet het zien maar het weten dat me verlokt.


Euforist

Ik heb echt niks, al dat gedoe is helemaal niet nodig. Die onderzoeken en dat gedoe in mijn hoofd. Ze zegt het met grote stelligheid terwijl ze van haar broodje met rookvlees hapt. Gent ligt aan onze voeten, ik staar naar het fabuleuze uitzicht, met onder mijn billen de koude vensterbank.

Je viel vorige week nog in je eigen vijver draag ik aan. Jij hebt toch ook wel eens wat. Ik barst in een hiklach uit als ik haar serieuze gezicht zie.

Op haar hoofd zitten witte doppen, in een ander bed in de kamer ligt een vrouw met een scheef gezicht bij te komen van de narcose. De doppen op haar hoofd dienen om morgen de coördinaten van de tumor zo precies vast te stellen dat ze geen vitale onderdelen raken. Mijn maag krimpt samen van ongerustheid als ik denk aan alle risico’s.

Ik hou haar stevig vast en leg mijn hoofd op haar warme borst.

Nu zit ze rechtop in bed, nog rooie strepen van het ontsmettingsmiddel op haar wangen. Bovenop haar hoofd een witte plakker die het gaatje in haar schelde zedig bedekt. Operatie geslaagd, duif leeft!


Wiebelig

Als Snor tussen de loodsen en het wilde groen de werf op draait stapt een man met doordringende ogen van zijn scooter. Zijn blik breekt open in een brede grijns als hij mijn metgezel ziet. Op de werf waar ik altijd al wilde kijken ligt zijn boot.

Trots laat hij de ijzeren bak zien. Het bed met de geruite deken, een gasstel met twee pitjes, de zak patatten. Met brede handgebaren doet hij zijn toekomstplannen uit de doeken. Het wrak veranderd in een boot die ooit zal varen.

Een meerkoet met drie kleintjes, nog amper in de veren, zwemt voorbij. Zachtjes wieg ik heen in weer in de buik terwijl ik mijn water drink uit een beker met het opschrift chocolade. Beschaamd fluistert de eigenaar dat eigenlijk de naam Cupido op de boeg prijkt.

Mijn lach klatert onbeheerst naar buiten als ik naar de gestalte op de bedbank naast me kijk. Zijn lijf vol tatoeages, zijn gezicht getekend door een hard leven en de druk van zware jongen zijn. Niet zo heel toepasselijk giechel ik.

Als ik de steiger afstap kijk ik nog een keer om naar het roestige bootje en zijn trotse eigenaar.


Groots

De kleine jongen slaapt, zijn handen liggen open in zijn schoot. Hij is moe en zucht. Als de wandelwagen klaar staat gesp ik hem voorzichtig uit het autostoeltje. Laag voor laag bouw ik een zachte cocon die mijn armen doet wiegen. Pas dan neem ik hem op en laat zijn zachte haartjes onder mijn kin verdwijnen.

Zo leg ik hem neer en maak zorgvuldig de riempjes van de buggy vast. Als zijn vader teder het stuur overneemt weef ik draden van behoedzaamheid en klein geluk. Onze stappen vormen een geruststellende cadans om zijn dromen te begeleiden.


Helder

IMG_0278[1]
De man met de intens blik komt tegenover me zitten aan de tafel in de zon. Ik bestel een koffie verkeerd en hij een zwarte straffe bak. Ver over de zeventig, het blauw van zijn overhemd accentueert de kleur van zijn ogen, zijn grijze haar, de pretrimpels die zijn gezicht doen leven geven hem een stralende krans van geluk.

Wat een mooie dag, knik ik. Toch zal er ook verdriet zijn vandaag, zeker dat er mensen sterven. Hij zegt het met grote ernst. Op zo’n dag als vandaag zou ik best willen doodgaan, ik neem een grote slok van mijn koffie. Waar zouden we naar toe gaan Waar zijn we voor we geboren worden?

Terwijl we spreken kijken we mekaar diep in de ogen. Je kan je lot niet ontlopen maar je kan wel kiezen hoe je er mee omgaat We houden de handen stevig en lang vast als we afscheid nemen. Terwijl hij naar zijn fiets stapt, straks taart eten bij zijn kleinkinderen, overvalt me een groot gevoel van geluk. Zonder afspraak weet ik van een weerzien.