Categorie archief: Lief

In bed

Niet bellen staat er onder de bel, snel trek ik mijn vinger terug die al klaar was om lang en vrolijk op de bel te drukken. Voorzichtig klop ik op het raam. Als de deur open gaat wordt ik begroet door een enthousiaste roodbruine hond die zichzelf bijna omver kwispelt.

Zorgvuldig stap ik rond de spullen in de gang. De eerste keer op visite maakt me verlegen. Een onbekend huis waar mensen wonen die ik niet goed ken maar wel heel leuk vind. Flink stap ik vooruit bij de kleine rondleiding.

In bed ligt een grote koffer met een piano.


Zoetje

Ze staat in haar ondergoed voor de kleerkast. Ze is dun maar ik vind haar prachtig. Kledingstuk na kledingstuk wordt aangepast en bekeken. Te saai, alweer blauw, deze kan inderdaad wel, staat je geweldig.
Ze houdt een bleek grijs truitje op en kijkt verwachtingsvol. Wat denk je zelf?

Ik zou het geweldig vinden om haar in gloedvol oranje te zien of in een zwierjurk met een grapje, kledingstukken die haar warme grappige persoonlijkheid benadrukken. Haar kast hangt op een enkele uitzondering na vol met rustige tinten, gedekte kleuren. Ik moet er een beetje van zuchten en zou willen zeggen: De tijd dat niet opvallen je beste optie was is al lang voorbij.

Ik ben oud genoeg om haar mama te kunnen zijn maar jong genoeg van hart om vriendin te worden. Vanaf het begin is er een vanzelfsprekende aanvaarding, elkaar echt zien zonder dat er zoveel woorden nodig zijn. Wie weet kan ik haar adopteren. Altijd al een groot gezin gewild.


Overbelicht

IMG_6194
Met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid weet ik: Als ik zoen ben ik verloren. Nu nog kan ik de illusie van controle en we doen maar wat in stand houden. De aanrakingen licht waar ze dwingend zouden kunnen zijn.

De aarzeling betreft in geen geval de handelingen, vingers vinden ongecompliceerd en zonder twijfelen hun weg op de baantjes van mijn lijf. Doe maar fluister ik alleen voor eigen oren.

Dagenlang nog licht ik op in elk duister.


Draf

Met twee handen hou ik me vast aan het zadel, we gaan hard en ik zit hoog. Ik lijk in niks op de lichtvoetige ruiter die ik daarnet nog zag rijden. Als een zak patatten schud ik door elkaar. Sta, zit, sta, zit. Ik doe mijn uiterste best, ik weet zeker dat het puntje van mijn tong van spanning langs mijn lip krult. Als we overgaan in stap juich ik van plezier, nog een keer!

Op het pad voor de schuur teken ik een liggende acht. Ze laat me stappen, hinkelen, en uiteindelijk mag ik een acht met mijn billen maken. Je mag nu het paard met je handen poetsen, je vingers zijn de borstels, we gaan de acht op het paard maken. Ik kijk naar de lichtbruine IJslander die net lekker door het natte zand heeft liggen rollen. Ik wil niet flauw doen dus doe ik braaf wat me opgedragen wordt. Nu met je ellenbogen en met je neus Ik kijk in haar twinkelende ogen. Die heeft me goed liggen denk ik terwijl ik mijn neus in de bruine vacht steek. Ik geef geen krimp als ik de opdracht krijg de acht met mijn voorhoofd in de flank van een stinkende, zanderige pony te maken.

De lach komt van diep en van ver, ergens uit het centrum van de acht denk ik. Slap van het lachen kijken we mekaar aan, nog een keer!

Wat een topdag.


Simpel

Ik drink dampend hete thee uit een jampotje aan een houten tafel. Ik slurp met kleine slokjes de peperige thee.
Met mijn vingers schuif ik een brokje linoleum heen en weer dat ooit de bovenbladbekleding van de tafel vormde.

Ik manoeuvreer net zo lang tot het stukje naadloos een plek vindt. Mijn geluk is meestal nogal simpel.


Vanver

De rails ligt door het hele huis, tunnelgaten in de deuren, Een locomotief met een paar wagons tuft door het huis. Soms zit er een appel in, een beker thee, chips of in het allerbeste geval frietjes en mijn lievelingsboek.
Als ik iets nodig heb leg ik een briefje in een van de wagentjes. De volgende rond tuft de trein met het begeerde richting mij.

Ik lig op mijn buik op de vloer, twee slaapzakken en een deken vormen het station Nanny, met één hand onder mijn hoofd en een hand vrij om de bladzijdes van mijn boek open te slaan kan je me uittekenen. Uren verdwijn ik zo in mijn zelfgecreëerde wereld. Is het boek uit dan verzin ik mijn verhalen zelf. De trein door het huis waar het altijd warm is en alles bij de hand is een van mijn prettigste dagdromen.

Voor de ruit van het sushi restaurant sta ik opgewonden heen en weer te springen. Iemand heeft de fantasie uit mijn kindertijd waargemaakt. Er is een ronde bar met hoge krukken. In het midden staat een kok druk te frutselen met rijst en rauwe vis. Als zijn creatie af is zet hij het gekleurde schaaltje met lekkers op een soort treinrails. Zo wordt het langs de gasten getransporteerd. Komt er een aanlokkelijk hapje voorbij dan pak je het voorzichtig van de band af om op te eten.

Opgetogen stap ik terug in mijn kinderjaren.


Wellustig

IMG_9805
De lantarenpalen schijnen hun oranje licht de kamer binnen. Ik krul me op onder drie lagen dekens. Mijn onderbewuste wordt om het uur gewekt door het slaan van de klok. De eerste uren ontwaak ik uit wilde woeste korte dromen daarna is er enkel nog een vaag besef van klank.

De trap die kraakt, mijn hart dat klopt en bloed ruist in mijn oren. Het ondergoed, zo kuis aangehouden in een huis met vreemde geuren, trek ik uit. Ik strek mijn benen en omarm mij.


Impuls

IMG_9755
Onder het stappen raken onze vingers, zonder nadenken neemt mijn hand de zijne vast. Het denken komt pas daarna. Verlegen ben ik maar ik weet zeker dat hij dat niet merkt want ik stap stoer verder. Het ritme van mijn stap kaats terug onder de poort. Zwart wit geblokte tegels en roze laarsjes. Ze combineren best. Dan laat ik, of was hij het, nonchalant de hand weer los.


Storm

IMG_1610
Niemand streeft naar geluk volgens Nietzsche maar vandaag valt het toch zomaar in mijn schoot. Terwijl de storm mijn hoofd schoon blaast en mijn voeten als vanouds in de plassen stampen vertelt de kleine mens naast mij een verhaal over kabouters die werken in de mijn. HeeHo, HeeHo je krijgt het niet cadeau! Soms toch wel.


Groot en lelijk

Vanuit de verte lijkt het een gewone schimmel, valt best mee denk ik. Ik was speciaal gewaarschuwd voor zijn afschrikwekkend uiterlijk. De eigenaar bracht het nog subtiel: Het is een heel braaf paard maar hij ziet er nogal speciaal uit.
De collega was al een stuk duidelijker: Het lelijkste paard dat ik ooit heb gezien.

In de wei, met de zon in mijn rug benader ik het paard. Enorm is het eerste woord dat ik mijn opkomt, nooit zag ik zo’n reusachtig paard. Hoog op de benen draait het zijn grote, lange hoofd naar me om. Ik snak naar adem, zijn roze neus, de lengte van zijn doorschijnende oren.

Groot en lelijk stapt op me toe en duwt nieuwsgierig zijn neus tegen mijn borst.

Als we mekaar in de ogen kijken, de zijne blauw met een peilloze kwetsbaarheid, de mijne nog vol van schrik van zoveel lelijk paard in een keer, nemen we elkaar op.
Het paard staat onbeweeglijk. Ik snuf en daar schrikt hij zo van dat ie snel opzij weg stapt. Weerloos tegenover deze brok aandoenlijkheid schiet ik in de lach.

De mensen die het paard ontmoeten gaan één voor één door de knieën voor dit monster. Zoveel lelijkheid gecombineerd met evenzoveel goedheid, die alwetende blik, het wiegen van de machtige bilpartij als hij weg draaft omdat hij besluit dat de ontmoeting lang genoeg duurde. Als er voorzichtig gevraagd wordt of ie toch niet weggaat, hij namen toebedeeld krijgt als: Beauty, Witje en Schopenhauer weet ik dat de beslissing genomen is.
Groot en lelijk blijft!