Categorie archief: opwinding

Wolf

Amper daglicht komt er binnen op mijn kantoor, het is lunchpauze en ik leg mijn voeten op het bureau en zip tevreden van mijn thee als de telefoon gaat. Twee dooie schapen in een weide vlak bij Axel. Als ik op schiet kan ik nog live mee in het nieuws tussen de middag.

De redactie zal zorgen dat er een dierenarts beschikbaar is om me te woord te staan. Ik graai mijn spullen bij elkaar, controleer of de batterij van mijn zendapparatuur werkt en schiet in mijn auto.

Van verre zie ik de groene jeep van de dierendokter al staan, een mooi richtpunt. Met piepende remmen kom ik tot stilstaand en nog voor ik de auto uit ben roep ik al in mijn telefoon naar de regisseur in Souburg dat ik het zal halen. Als de dierenarts het prikkeldraad voor me naar beneden moet houden vervloek ik voor de zoveelste keer mijn rok.

Ik druk op aan en hoor de aanwijzingen in mijn oor: twee minuut dertig, ik roep als je nog 1 minuut hebt. We naderen twee stille schapen, de buik opengevreten. De weeïge geur van de dood hangt in de lucht. Ik voel mijn maag samentrekken maar mijn stem hapert niet.

De arts is zeker, hier is een groot beest aan het slachten geweest. Op mijn suggestieve vragen over een wolf geeft hij gretig antwoord. Nooit meer kom ik dichterbij de wolf van Walsoorden.  

 

 

 

 

 

 

 

 


Zwaailicht

Blinkend fluo-geel staat ze in een oude verzakte garage. Batterij plat, klimop over de deur gegroeid, ik moet langs de passagiersstoel naar binnen klimmen om achter het stuur te kunnen zitten. Het alarmnummer staat op de deuren, het zwaailicht bestoft op het dak.

De mee gebrachte accu wordt voorzicht in de binnenste binnenkant van de auto neergelaten. Zonder mankeren slaat de turbo diesel aan. Mijn hart slaat over van opwinding als ik mijn nieuwe auto hoor snorren.

Op de snelweg, met geleende platen, zwerft mijn vinger voortdurend naar de knop van de zwaailichten en de sirene, strafbaar hoor mompelt mijn passagier: Je mag niet met een prioritair voertuig op de weg als je geen brandweerman of ambulancier bent!

Mijn vinger bedwingend zit ik braaf in de zwartleren stoel terwijl mijn billen op temperatuur gebracht worden door de stoelverwarming. Een tikje op de gaspedaal en mijn V70 schiet vooruit.

Als ik aan kom op de plaats waar Zus aangepast zal worden aan het deftige verkeer staat een welkomstcomité op een rij om ons te verwelkomen. Ze zwaaien enthousiast terwijl ze roepen om zwaailicht en sirene.


Kleedje

Het is mijn eerste dag, met mijn kousen en zwarte rokje stap ik zwierig uit de auto. De dikke jas en een sjaal houden me warm. Mijn knalrooie laarsjes klikken vrolijk over de straat als ik het omroepgebouw nader. Een beetje zenuwachtig wacht ik voor de balie om me voor te stellen.

Ik mag mee met een van de ervaren verslaggevers. Van opwinding spring ik van de ene op de andere voet. Naar de haven gaat de reis, tijdens de rit in zijn ouwe stationwagen vraag ik hem de oren van het hoofd. Het gaat om duikers van de marine die oefenen ergens bij de Vlissingse sluizen.

In de bittere kou vormt mijn adem wolkjes, mijn knieën bibberen in mijn panty als ik sta te wachten op de betonnen kade. In het donkere water beneden me zie ik weinig beweging. Een kring en af en toe een luchtbel die naar boven komt is het enige teken.

De college tovert met zijn opname apparatuur, ik tuur in de diepte als er vanuit het niks zes duikers naar boven komen en me door hun duikmasker aanstaren. Ik trek mijn rokje over mijn dijen naar beneden en voel hoe mijn wangen langzaam kleuren bij mijn laarsjes

 


Stoer

Ik stuur Snor met ware doodsverachting het modderige bospad in en negeer het verboden toegang bord. De achterkant slipt vervaarlijk als ik de bocht neem. Grote plassen en diepe sporen markeren het pad dat steeds dieper het bos in verdwijnt. Ik probeer de auto op snelheid te houden om te voorkomen dat ik in een plas tot stilstand kom.

Ik doe de lichten uit zodat ik niet ontdekt word op verboden terrein. Zo rij ik in het maanlicht door het bos.

Opgelucht, want niet vast geraakt, draai ik een pad in naar rechts, kleine boompjes zwiepen onder de auto om enigszins verfrompeld na mijn passage weer recht te veren. Net om de hoek parkeer ik minutieus tussen twee bomen, de neus naar het pad zodat ik snel kan wegrijden, onzichtbaar voor eventuele voorbijgangers.

Met matjes, dekens en kussens maak ik op de platgelegde achterbank een warm nest, de regen die op het dak roffelt en de bomen die heen en weer wiegen in de wind versterken het gevoel van knus. Ik trek al mijn kleren uit en doe mijn regenlaarzen aan. Zo plas ik in het donkere, donkere bos. Onder de geopende achterklep wrijf ik met een handdoek de regen van mijn natte lijf.

Droog kruip ik onder de dekens, de deuren doe ik op slot tegen de bijlmoordenaar. Slaap zacht! 


Kniptang

De man naast me klopt als een waanzinnige op zijn lijf: Ik ben mijn fietssleutel kwijt piept hij. Tot twee keer toe haalt hij al zijn zakken leeg maar de sleutel is nergens te bekennen. Kwijtgeraakt terwijl ik op de deken lag denkt ie.

Net nog was het dekentje gespreid in de grote tent op de weide en nu heb ik het flink uitgeslagen in de warme buitenlucht. Beteuterd kijk ik rond me. Het gras is platgetrapt door de honderden voeten die hier de afgelopen dagen passeerden. Nergens zie ik een kleine zwarte fietssleutel.

Op goed geluk loop ik nog terug naar de grote blauwe tent om daar de grond af te speuren. Het concert van Flip Kowlier is net lekker op stoom gekomen, ik probeer de dansende voeten te ontwijken terwijl ik zoek. Een meisje, ze heeft een hoed op van kartonnen dienbladen, biedt spontaan aan te helpen als ze me naar de vloer ziet turen. Ik wimpel haar vriendelijk maar dringend af. Voor je het weet loopt de halve concert tent naar een fietssleutel te zoeken.

Bij de info hebben ze niks binnen gekregen en ook de afdeling Gevonden Voorwerpen heeft de sleutel niet. Plots dringt het beeld van een grote rooie brandweerauto op. Naast de fietsenstaling staan de pompiers, die willen misschien wel helpen met het slot doorknippen.

Met vier springen ze uit de auto als ik de situatie uitleg. Even nog is er twijfel want wie weet is de fiets waarvan ik het slot wil laten doorknippen niet van mij en stelen ze daar per ongeluk een fiets. De drang naar actie en avontuur is te groot om weerstand aan te bieden en voor ik het weet loop ik omringd door brandweermannen waarvan er één een kniptang van minstens een meter onder zijn arm heeft naar de fiets.

Deze is het wijs ik de mannen. Ik zie dat de zwarte sleutel in het slot van de fiets zit.


Fwiepppppppp

Luid zingend speer ik op de fiets door Gent. Het Kindeke zit achterop in haar spiksplinternieuwehutsiefrutsieroyale stoeltje. Mijn kleedje wappert in de wind terwijl zij vervaarlijk opzij hangt om vanachter mijn rug de straten te kunnen bekijken.

Zit je lekker vraag ik haar, met de stem van de boze wolf die ze stevig in haar armen klemt bromt ze: Ja

De mannen op straat kijken om als ik voorbij fiets, een man op een ladder fluit, de jongen op het terras steekt zijn veel te vroege pint in de lucht om te groeten.

We zetten alle eendjes zwemmen in het water in. Op de stoep loopt een man met een tas, een hippe man met een hippe tas. Als ik passeer hoor ik naast me: Falderalderalderalderal


Hitte

Het vuur brandt zo fel dat het pijn doet aan mijn ogen. Ik lig op mijn matje, rug veilig tegen de rots, de regen kan me in deze holte nooit bereiken. De man naast me schuift af en toe een tak om het vuur te voeren. Het knettert en de vonken vliegen door de lucht. We geven de fles wijn aan elkaar door. De hond ligt aan mijn voeten, ik rol me in mijn deken.

Ik ruik naar rook en roet en mijn broek zit onder de vegen. De nachtdieren in het bos worden wakker. Ik hoor een uil en een hert, de takken kraken en de blaadjes ritselen. Langzaam vallen mijn ogen toe. De man zegt dat hij op me zal passen, zijn ogen schitteren in het vuur.

Een streepje ochtendlicht is net zichtbaar als ik wakker word omdat ik moet plassen. De hond zucht als ik me uit mijn lagen wikkel. Niet te ver van de vuurplek want veel te koud, zit ik op mijn hurken en kijk diep in het dal. Mijn plas dampt, de ogen van de man schitteren.


Kousenman

IMG_1891
Ik hou van de glans van nylons op mijn benen, het patroon van gaatjes tot bovenaan mijn dijen. Begerig sta ik tussen de rekken vol met te dure kousen. Ik koop ze toch. De blik van de kousenman is onbetaalbaar.


Strak

Mijn laarsjes kreunen van genot als ik wiebel met mijn tenen. Nog nooit waren mijn in kousen gestoken benen zo glad. De blauwe panty glanst en past me als gegoten. Met moeite kan ik me beletten om mijn eigen benen te aaien.

Onder het lopen moeten lachen om zoveel vrolijke wellustigheid op een doordeweekse dag. In de etalage waar ik voorbij stap zie ik mijn truttig kleedje nog net van onder mijn jas piepen.

Op de vensterbak ligt een pakje met een notitie opgeplakt: Voor Miranda. Twee pakjes met vintage panty’s uit de jaren vijftig. Een cadeau van mijn vriendin die mijn voorkeur voor woeste beenbekleding kent.

Onverwoestbaar staat er op de verpakking in bruine krulletters. Mijn vijftiger jaren kousen, daar ga ik nog veel plezier aan beleven!


Actie

Als ze bukt voor de man in het keurige pak zie ik zijn blik verharden, een grimas voor de foto als een illusie van dikke pret. Mijn hart slaat over van schrik en spijt als ik in haar kwetsbare bruine ogen kijk. Ik zou haar vast willen nemen, koesteren in het holletje van mijn arm en zeggen dat het echt wel goed zal komen.

Maar ik weet dat het niet goed zal komen, dat er uit deze actie niks goeds kan vloeien. Deze man zonder compassie zal zich omdraaien en zonder omkijken wegstappen op wankele drankbenen. Voorzichtig neem ik een slokje van mijn drankje, even giftig gekleurd als mijn gemoed waarmee ik vreselijke ziektes en pijnlijke wonden voor deze klootzak bedenk die nooit van haar zal houden.