Categorie archief: Uncategorized

Niks

In de slaperige dorpjes verzamelen de zwaluwen zich op de zwarte elektriciteitskabels hoog boven mijn hoofd. Het licht van de nazomer is warm, de geur van vroeger, van houtvuur en op een hoop geveegde bladeren hangt in de straten. Ik moet elke keer het vege lijf redden door snel aan de kant te springen wanneer een auto met racesnelheid een bocht om komt scheuren.

Het houtenplankier veert ritmisch op en neer onder mijn stap. Het volgt de kustlijn, ik proef het zout op mijn lippen. Het is een populaire route bij de plaatselijke bevolking. De oudere mannen met stevig gespierde kuiten steken me in rap tempo voorbij, vast oude brandweermannen fantaseer ik, die hun spieren kweekte door hulpeloze oude vrouwtjes uit brandende gebouwen te redden.

Zelf doe ik gewoon voort. Langs de kant van de stoffige weg zit een jonge vrouw knoflook schoon te maken. Als ik met handen en voeten duidelijk probeer te maken dat ik graag een wortel zou kopen uit een doos die naast haar staat mag ik niet betalen.

Mijn medewandelaars zijn over het algemeen jong en Duits of Canadees en dan scheppen ze op over de kilometers die ze per dag afleggen. Kei goed knik ik ze toe en wandel driftig verder.


Calma, calma

Ik hoor de oceaan eerder dan dat ik hem zie. Geen idee of de druppels die me in het gezicht kletsen van de mist of van de zee zijn.  Af en toe doemt er een golf op uit de mistige soep. Het licht is zo diffuus dat het pijn doet aan mijn ogen.

Deze dag is stil, er passeren mij een handvol medepelgrims getooid met enorme rugzakken. Ik fantaseer over de inhoud en denk aan gevulde koelkasten en dekbedden. Tijdens het reizen naar verlichte oorden is me nog nooit een zinnige gedachte ingevallen.

Ik neurie wat voor me uit, anticipeer op wat komen gaat door op tijd te plassen en mijn waterfles te vullen. Zo loop ik deze dag met het geluid van de oceaan, de blik op oneindig. De etiquette van de camino maak ik me maar moeilijk eigen. Doordat ik zo loop te suffen reageer ik elke keer te laat of in wauwelig Spaans als iemand mij een goeie weg wenst.


Porto

Ik hou van de stad op haar lelijkst: waar de vuilnis ophoogt in de bakken, plastic waait in de lauwe wind die de geur van rivier meedraagt. De katten, schurftige magere beesten, wachten er op de man die op zijn pantoffels aan komt schuifelen. Zijn schaarse haar plakt in sliertjes gekamd tegen zijn hoofd. In zijn hand een open blikje kattenvoer. Zorgvuldig schuift hij de inhoud op een plastic deksel van een of andere pot. De katten schrokken gulzig.

De schoenmakers en leersnijders gunnen me een kijkje in hun schemerige werkplaats, enkel de werktafel fel verlicht met tl. Aan de muur hangt een vacht van een ondefinieerbare herkomst. De lappen leer op een slordige stapel aan de zijkant. In de etalage portemonnees en kleine tasjes.

Naar de kathedraal voert mijn stap. Het eerste stempel dient gehaald. Een vrouw in een lichtrode jurk achter een tafel verkoopt ticketjes. Naast me staat een man die vol bewondering naar mijn Santiago pas kijkt. Met een vet Italiaans accent vraagt hij waar ik gestart ben. Ik begin hier, gebaar ik. Niet echt ver he, schampert hij.

De vrouw in de rode jurk sist keihard om ons tot stilte te manen. Triomfantelijk kijk ik de oude Italiaan in de ogen en leg mijn vinger tegen mijn lippen. Sssst!


Maakbaar

Ribbetjes, kippenpootjes en ander stevig kluifgerief grill ik met liefde. Een grote schaal knüsperige sla staat in het midden van de tafel. Het is het galgenmaal van de man. Morgen moet ie naar de tandarts, minstens vijf tanden zullen er getrokken worden. We doen van ach en wee en kluif nog een botje. Het Kind biedt zelfs aan om te rijden want na zo een slag in de bek zal nazorg nodig zijn.

De volgende dag slaan we hem op de schouder en spreken van moed en schoonheid nadien. De man komt thuis met al zijn tanden nog in. Er wordt enkel gehapt voor een tand die lang geleden het veld ruimde en in kunststof terug zal verschijnen.

Er is een machien om water om te toveren in bruis, net gekregen van een liefste. Vol bewondering zien we de bubbels verschijnen. In de koelkast weet ik de rosé koud. Wat water tot een spannende slok maakt zou wijn toch ook kunnen verheffen? We vullen een flesje en drukken op de knop. De kostelijke rosé stroomt en spuit door de keuken. De man rent met bubbelding en ontploffende drank naar buiten. Ik mag proeven van wat rest, met lekker veel bubbels!

 

 

 

 


Ridder

Friedman nestelt zich in het holletje tussen buik en knieën als ik me installeer tussen de wit linnen lakens. Het oranje van zijn vacht gloeit in het warme licht van mijn schemerlamp. Hij snort nog voor ik zijn kop kan kriebelen. Vol verwachting van het goede.

in het beginnende ochtenlicht op de boerenbuiten waar niks te gebeuren een groot goed is drink ik mijn koffie. Een flinke laag opgeklopte warme melk vergroot het comfort. De appelboom in het weiland achter mijn tuin draagt glanzende vruchten. Ik droom van potten vol moes die op mijn kelderplanken staan te blinken.

De gast in het radioprogramma, daags na de aanslagen in Spanje, is een verstandige vrouw. Ze spreekt over hoe de landen als Saoudi Arabië met rust gelaten worden vanwege economische belangen. Hoe dat soort landen een vrij brief krijgen om haat te prediken via elk beschikbaar kanaal. Hoe zelfgenoegzaam we in de Westerse samenleving op onze eigen borst staan te kloppen.

Wie gaat er nu iets aan doen? De woorden van de journalist echoën de hele dag na als was mijn hoofd een glanzend witte lege badkamer.

Opgekruld in bed met mijn hand op het sonore snorrende lijf van de kat beslis ik dat ik er iets aan ga doen. Ik kook mijn hoop voor morgen en streel wie mij lief is.


Een liefde

De man staat aan de deur. Zijn glimlach is uitbundig, de toon zeer luid. Volgens hem kan het feest pas beginnen nu ik er ben. De man is mijn geheel onbekend, ook het naambordje op de revers van zijn dure colbert doet geen enkel licht ontbranden.

Zijn ogen lachen niet mee. Halfverwege zijn wangen stokt de emotie. Nadat hij met twee handen de mijne heeft omvat dwaalt zijn blik af naar ergens over mijn schouder. Hij zoekt interessante buit en ik ben dat duidelijk niet.

Ik voel me verloren. In de zaal is maar een man die ik liefheb. De man met het kleine hartje. Hij belt me als hij weet dat het niet goed met me gaat. Hij betaald mijn koffie’s ook als hij geen cent te makken heeft. Hij zou de wereld aan me geven mocht ik dat vragen.

In de verte staat hij druk te gebaren in een groepje valse mannen. Hoe hij de schijn van instant geluk op kan houden, zo kan niemand het. Ach het gaat er niet om wie hem gelooft denk ik. Mijn tederheid voor hem is net zo oprecht als de zijn liefde voor mij.


Druilerig

Ik hou van de kleur van de binnenkant van schelpjes, de geur van de regen, volle maan, een waslijn met houten knijpers netjes op een rij. In het schemerlicht eet ik gewikkeld in mijn versleten lapjesdeken het laatste stuk chocolade met nootjes.

Ik tel mijn zegeningen en vervloek het lot dat mijn vriendinnen meepakt zonder schroom. Hoe ik elke verjaardag verder van ze weg leef en de onbegrijpelijkheid daarvan.

Ik lak mijn teennagels parlemoerroze omdat het zo goed bij mijn zacht zijden onderjurk past.

 


De Dichter

Vol bewondering over mijn hellingproefcapaciteit bejubelt de dichter mijn rijkunst. Zelf slingert hij zich met fiets en duim over de wereld. Ik ken de vermakelijke verhalen over zijn liftavonturen of hoe hij vluchtend voor het naderende onweer binnen rent bij interessante oudere dames of aantrekkelijke jongere die hij dan meeneemt naar België.

Het vuur in zijn donkere ogen maakt me gelukkig en aan het lachen. Regelmatig komt hij me bezoeken op de boerenbuiten. Bij de houtkachel spelen we met zijn allen scrabble: Ik verlies altijd. Op de lange wandelingen door de sombere winterse polder neemt hij me bij hand.

Ik herken zijn stap en de geur van vertrouwen die hij met zich meedraagt. De brieven die blijven komen, hoe ver zijn reis hem ook voert. Zo weven we de draden. Altijd is daar weer het moment dat zijn terugkeer aankondigt.

We hebben de tijd van de wereld als we afscheid nemen. Natuurlijk niet voorgoed, voor ons is er zeker later. Gisteren was hij jarig en ik vier de mijne morgen. Later is er niet meer. De dichter is dood en vanmorgen kondigde de verandering van het licht het begin van de herfst aan.

 


Boerenbuiten

Halfnaakt staat de man tegen zijn vensterbank geleund. Niks bijzonders te zien in mijn straat behalve de voorbijrazende auto,s. Hij krabt in zijn dunne grijze borsthaar, zijn kale hoofd beweegt van links naar rechts. Ik stap uit mijn auto en zwaai vrolijk zijn richting uit. Snel draait hij zich om.

In het dunne ochtendlicht stap ik naar mijn auto die netjes naast de stoep geparkeerd staat. Niet voor mijn huis, daar rijden ze zo hard dat ik vrees voor zijkant en spiegel. De vrouw staat met haar handen in haar zakken vlak voor de auto. ” Ik wil hier parkeren” ze roept hard op dit vroege uur. Ik doe een halfslachtige poging om uit te leggen en het begrip openbare weg wat meer diepte te geven.             ” We zijn er echt veel mee opgeschoten sinds jullie hier wonen ” ze bijt het me toe. Ik zwaai bij het wegrijden. Ze heft haar arm niet eens op.

In mijn tuin woont de groene specht, de kerkuil komt rond elf uur elke avond zwaar ademen in mijn tuin. De kippen lopen fier, pattison schittert geel tussen grote groene bladeren. Ik eet elke avond buiten. In het voorbij gaan spiegel ik in de grote ruit. Ik wuif naar de vrouw in de bloemetjesjurk met rood met wit gestreept vestje. Ze zwaait vrolijk terug.


Eenhapskuiken

Vier kuikens, aandoenlijk nog, met hier en daar een dons die zorgt voor het potsierlijke prehistorisch voorkomen. In de verte doen ze me aan een verlepte mini dinosaurus denken. Ik hou niet van kippen maar wat zou de de boerenbuiten zonder  vers eitje zijn. Dankbaar laat ik me de kuikens kado doen.

Ze komen in een kattenmandje en stjilpen de longen uit hun lijf. Eerst waren ze met acht, de ratten sloegen hun slag in de wrede Schoondijkse polder.  Ik beloof plechtig goed voor de overlevers te zorgen. We drinken er een frisse pint op en installeren de beesten in hun riant onderkomen.

De logeerhond komt. Zij ligt de hele dag met zijn snuit tegen het gaas gedrukt. Zachtjes jankt ze de kipjes toe. Die komen na een week nog steeds niet uit hun stenen burght. Hun immense weide ligt er verlaten bij. Ik besluit in te grijpen en overwin mijn weerstand om een kuiken aan te raken. Zonder pardon grijp ik ze en duw ze door hun luik.

Na een dag of wat begrijpen ze het concept en hippen vrolijk uit en in hun nachthok. Ik spreek de hond streng toe, een betoog over eeuwige verbanning en bloedvergieten. Ik geloof dat ze het snapt.

Deze morgen voer ik het ritueel van klep open, aanmoedigende tok geluiden, het wuiven met mijn hand als de laatste van de vier de sprong naar de buitenwereld waagt al met enige routine uit. Tevreden  over mijn boerinnen vaardigheden rommel ik wat in huis.

Een enorm gekrijs haalt me uit de zondagmorgenzen. Ik zie hoe de logeerhond door de wei rent. Bek vol zwarte veren. Vloekend en tierend ren ik er achteraan. De hond geschopt en verketterd laat beschaamd de buit vallen.

Twee kipjes morsdood, een kwijt en de ander in shock rent rondjes, keihard.

Als het Kindeke komt, ik in geur en kleur het verhaal doe en de overgebleven kip bekijk zegt ze: Dat is de haan, die zouden we toch opeten.