Ciel bleu

Het onderlijfje mag aanblijven, de bh moet uit. Terwijl ze spreekt trekt ze de deur achter zich dicht. Beteuterd begin ik me uit te kleden. Vestje, jurk, wollen truitje en bh. In mijn grijze kousenbroek sta ik te bibberen want het is behoorlijk koud in het omkleedhokje. Mijn kleren hangen als los vel over een oranje plastic stoel. Ik voel me belachelijk. Ik heb geen onderlijfje.

Ik trek dan maar mijn lekker warme wollen trui aan, als een soort van malle compensatie voor een kledingstuk wat ik niet heb. Met een zwaai gaat de deur open. Van boven tot onder bekijkt de verpleegkundige mij. Mijn uitmonstering is zeker niet bedoeld voor andere ogen maar louter voor eigenliefde. Die trui moet uit mevrouw, het onderlijfje mag aanblijven herhaalt de verpleegkundige nog maar een keer.

Ik heb geen onderlijfje piep ik.


Eiland

Je moet het niet persoonlijk opvatten, jij pakt alles zo persoonlijk! Je bent altijd zo gespannen. Ontspan toch eens een keertje.

De schelle stem wekt me uit een zalig middagdutje. Op het smalle ijzeren bed lig ik met zicht op een beschimmeld doch waterdicht tentdoek. Het licht dat naar binnen stroomt belooft een zon.

Een stem antwoord, ook al spits ik mijn oren, de woorden bereiken me niet. De  harde hoge stem van de andere vrouw spreekt nu over behoeftes en communicatie. Een brommerige mannenstem maakt sus-geluiden.

Op een paar honderd meter weet ik de groene zee met de hoge luchten. Het duin ligt te wachten tot mijn voeten het beklimmen.


Ver weg

Een deur in het midden aan elke kant een ruit zonder vitrage met een vensterbank vol weelderige planten. Aan de buitenkant bakken met geraniums en afrikaantjes. Een rood pannendak, een uitzicht over zacht glooiende heuvels. Mist in de ochtend.

Twee slaperige poezen die op het trapje naar de voordeur liggen. Een hof met aardbeien, beiers, spruitjes en boerenkool voor de winter. De houtkachel gaat aan als de avond fris is. De mensen van het dorp zullen naar me knikken als ik passeer.

Boek na boek lees ik, van die lekkere dikke waarin je kan verdwijnen. Soms leg ik mijn boek efkes weg om een wandeling te maken. Arm in arm, de eerste paar honderd meter stappen de poezen mee.

Het huis rukt naar kaneel van de zelfgemaakte appelmoes. Op het fornuis een pan soep die zachtjes staat te trekken.

Mijn mondhoeken krullen bij elke zoen in een gulle lach.


Frictie

Dit gaan we toch eerst een beetje ontsmetten. De man bekijkt mijn hiel van alle kanten. Zijn buik valt zachtjes over zijn broek. Een fel geel hesje en een embleem van het Rode Kruis versieren zijn imposante bovenlijf. Ik kom alleen een pleister vragen voor een blaar. Kreeg ik die de dag voordien nog moeiteloos in mijn hand gedrukt,  nu moet ik nu mee naar een met een zeil afgezette hoek.

Een flacon met felgele vloeistof wordt onthoofd en met een watje tegen de open geschuurde achterkant van mijn voet gedept. Gaat het? De behulpzame medewerker van de organisatie die over de hele wereld ellende draaglijk maakt kijkt me serieus aan.

Een vette lach kan ik met moeite onderdrukken, ik zucht een keer en zeg dat het wel meevalt. Ik probeer een beetje droef en gekweld te kijken. Zo verhoog ik zijn heldenstatus en mijn slachtoffer rol denk ik.

 


samenhang

Ik geloof niet in Jezus ook al staat ie al jaren in plastic te swingen op het dashboard van de auto. Mijn Jezus komt trouwens ook niet uit het Midden Oosten. Hij is gemaakt in een fabriek in Texas. Ik ben sterk gehecht aan mijn plastic Jezus. Elke winter overweeg ik een cape voor hem te frutselen, gelukkig komt het er nooit van.

Jaren geleden fietste ik naar Rome. Op een paar honderd kilometer na helemaal alleen. Regen, sneeuw, ontspoorde treinen, een afgelopen ketting en nul kennis van fietsreparaties, heimwee, onversneden puur geluk en krakzinnige ontmoetingen onderweg maakten mijn tocht heroïsch. Het licht zag ik niet onderweg of bij aankomst in Rome.

Onderweg, te voet, van Waterlandkerkje  naar Parijs brandde ik in elke kapel een kaarsje. Ik dacht niet aan Jezus of God maar aan mijn lieve grootmoeder. Ze zou overdreven trots geweest zijn mocht ze nog leven. Zelfs toen de tocht onverwachts eindigde in Remy sur l’eau zag ik daar geen teken in.

Binnenkort stap in naar Santiago de Compostela en de fietstocht volgend jaar naar Lourdes staat ook al gepland. Weer zal ik het licht van De Heere niet zien.

Op straat voor mijn huis vind ik een voordeursleutel met een wit konijnenpootje als sleutelhanger. Peinzend weeg ik hem op mijn hand. Leg ik hem op de vensterbank van een willekeurig huis? Schrijf ik met krijt op de stoep waar de sleutel afgehaald kan worden? Tijdens het nadenken loop ik een stukje op de stoep. Bij een  bruine deur houd ik stil. Ik steek de sleutel in het slot, moeiteloos gaat ie naar binnen. Tevreden haal ik sleutel uit het slot en steek de sleutel in de brievenbus.


Belachelijk

Een zak met een half afgekloven rozijnenkoek, een flesje appelsap met nog één slok in, parkeerbonnetjes in geel en wit en her en der een appelklokhuis en speelgoedjes uit verrassingseieren. Ik verzamel de rotzooi uit mijn ouwe gele mug, Zus, om ze in een prullenbak aan de muur van de winkel te proppen. Ik wacht op mijn afspraak in een dorp waar ik verder niemand ken.

Een grijze kleine auto vol joelende mannen komt aangereden. Ik doe net of ik niks zie want voor mij kan het niet zijn. Ze toeteren en roepen. De mensen in de winkel komen kijken, een vrouw die op een trap haar ramen lapt stapt voorzichtig naar beneden om te zien wat er gaande is.

Mottig kijk ik achterom wat dat geroep en gedoe te betekenen heeft, stelletje sukkels, ik denk het hardop. Er blijft maar lawaai uit de auto komen. De mannen staken het roepen niet.

In vol ornaat richt ik me op en buig me langs de neus van Zus op eens flink te keer te gaan. Met mijn bril op het puntje van mijn neus en een preek over de vrouw als lustobject en de man als hersenloze sukkel op het puntje van mijn tong

Het zijn de zigeuners, mijn zigeuners! Ze stralen, lachen en wuiven vanuit het koekblik. Een van hen zit geperst tussen de deur en een contrabas. Ze buitelen van het lachen bijna uit de auto, of ik het niet zag, en morgen bij het optreden zal ik ze weer zien, dan doe ik toch zeker wel een kleedje aan!

In luttele seconden verander ik van lustobject in ouwe bekende.

 


Optimistisch

Het ochtendlicht is nog pril als ik op de fiets door Gent speer. Wind waait slaap uit mijn ogen. De wegwerkzaamheden waar zelfs de fiets niet doorpast vertragen me maar efkes. Ik fiets en mijn haar wappert.

Het ziekenhuis, waar ik me deze morgen zo vroeg moet melden, is ook nog maar net ontwaakt. Traag gaat alles maar de mensen zijn vriendelijk en het ruikt er naar vers gebakken brood in plaats van ontsmettingsmiddel.

Nucleaire geneeskunde staat er op de bordjes van mijn afdeling. Overal de stralingstekens die me in opgewekt geel verwelkomen. De mensen in de wachtkamer slaperig en stil, het aanbod van leesvoer, de Dag Allemaal en infofolders over een hartinfarct en hoe dat te herkennen laat ik liggen.

Met mijn eigen lekkere dikke boek op schoot sluit ik me af voor mijn omgeving. Ik wil het verhaal van de broodmagere man in een rolstoel met een mondkapje niet horen. De oude mevrouw in de rolstoel dut, haar begeleider verdiept in zijn telefoon.

In ben aan de beurt voor mijn dosis radioactief materiaal. De man, met de injectienaald in de hand kijkt me aan. Ik dreun braaf mijn naam, adres en geboortedatum op. Bent u zwanger of geeft u borstvoeding? Hij knippert zelfs niet met zijn ogen als hij me de vraag stelt.

Zeven augustus negentien drieënzestig!

 


Soorten

Zij krijgen alles en ons soort mensen krijgt niks! De mond in haar poppengezichtje trekt een smalle streep om de woorden kracht bij te zetten. Ze ziet er prachtig uit, deftig opgemaakt, wenkbrauwen strak in het gelid, dure kleren en dito schoenen.

Ons soort mensen, huh? Het gaat over vluchtelingen, allemaal mannen die jatten als de raven. Dat je daar in de media niks van hoort komt omdat het de winkeliers verboden wordt om over die misdaad te spreken! Ze stopt met een perfect gemanicuurde vinger het haar achter de oren.

Ik vertel het verhaal van de moeder die haar tienerzoons achter moest laten, ze heeft alleen nog de foto’s op haar smartphone. Schets de beelden van de verwoeste steden. Ik leg een link met de tweede wereld oorlog,  de verontwaardiging achteraf over de deportatie van joden, zigeuners, homoseksuelen, verstandelijk gehandicapten, psychiatrisch patiënten en politieke dissidenten.

Nou in de Braakman is het anders ook verschrikkelijk hoor, daar worden alle vrouwen lastig gevallen nu al die vluchtelingen daar zitten, je zal zien dat ze veel langer blijven dan afgesproken.. Ze knikt heftig met haar mooie hoofd.

Ons soort mensen, ik ken ze liever niet.

 


Bots

Op het fietspad ligt een roerloze man. Naast hem een man in korte broek met zijn handen langs zijn lichaam. Als hij mijn ouwe gele ambulance ziet gaat zijn hand aarzelend omhoog. De hele situatie straalt ongemak uit.

De man op het asfalt geeft nauwelijks antwoord op mijn vragen. Zijn fiets hangt tussen de paaltjes die een jonge boom recht moeten houden. De man naast hem blijkt een vriend. Hij brengt een onsamenhangend verhaal over een te ruime bocht en de botsing met de boom.

Ik buig me voorover om de liggende man beter te bestuderen. Geen bloed, hartslag ok. Hij draait met gesloten ogen zijn hoofd langzaam naar me toe. De alcoholwalm beneemt me de adem.

Na veel gezucht brengt de vriend het verhaal, bierproeverij, niet gegeten. Heeft u meer dan vijf biertjes op? De man knikt. Meer dan tien? Weer knikt de man. Ik laat ons gesprek over aantallen voor wat het is en bel het noodnummer.

Als ik terug in mijn auto stap zegt Het Kindeke, die wachtte al die tijd braaf in haar stoel, Had hij teveel alcohol op? Blijkbaar is ze al ingelicht door haar moeder die ook mee is. Het blijft een tijdje stil vanop de achterbank.

Ik denk dat het in zijn fietstas zit. Ze wijst naar de enorme rood met wit gestipte tassen die de fiets van het slachtoffer opvrolijken.

 

 


Prik

Doe de kleren maar uit! De man laat me na deze boodschap achter in een kamer met een bureau en een met een papier bedekte behandeltafel. Mijn voeten op het frisse zeil sta ik een vijftal minuten te wachten. De man doet in een andere ruimte koetchiekoetchiekoe tegen een hond.

Ik zet me dan uiteindelijk, want de man begroet de hond nog steeds, op de behandeltafel. In mijn ondergoed, want al de kleren uitdoen lijkt me overdreven. Een chinees gelukspoppetje en een kat die op energie van de zon, maatvast, zijn poot op en neer beweegt houden me gezelschap.

Leg u maar neer! Omdat ik niet weet waar hij mijn hoofd verwacht gebaar ik met mijn voet naar een kant van de behandelplek. Het papier ritselt. Woordeloos wijst hij, op de buik.

Steunzolen mevrouw, u ene heup zit hoger dan de andere. Minstens één centimeter. Ik wijs naar mijn elegante schoenen die bij het bureau op mij wachten. Dat daar geen steunzolen inpassen snapt deze man op saaie zwarte instappers ook wel. Draag die dan bij speciale gelegenheden. Hij glimlacht minzaam.

Ondertussen heeft hij een pakje naalden in zijn hand. Zonder aankondiging jast hij ze in mijn lijf. Het doet gemeen zeer. Ik moet mijn best doen om mijn been niet weg te trekken.

Voor mij is elke dag een speciale gelegenheid! Ik zeg het flinker dan ik mij voel. Volgende keer geef ik u kruiden antwoord de man.