Nachtelijk

Hij heeft oordopjes in zegt er iemand op de slaapzaal. Dat geloof ik graag, de man tegenover me zou anders vast en zeker wakker worden van zijn eigen gesnurk. Ik krijg sterke aandrang om mijn kussen stevig op zijn neus te duwen. Ondraaglijk hard klinkt het lawaai in een stevig ritme.

Wat ook niet echt helpt zijn de kerkklokken die elk uur driftig klingelend het uur slaan. Langzaam neemt de wanhoop bezit van me. Ik denk aan kalme blauwe zee, aan steriele witte lakens, een zacht briesje. Niks helpt. Dood en verderf strijden om het hardst om een oplossing te bedenken.

Het woord SlAAP dringt zich in al zijn gedaantes aan mij op. Ik zie de mensen op de slaapzaal een voor een op hun telefoon kijken. Ik hoor ze zuchten. De nacht strekt zich lang en slapeloos voor ons uit


Routine

Het duurt even voor mijn rechterkuit beseft dat we echt weer een berg gaan beklimmen. De eerste drie kilometer blijft ie protesteren. Wanneer het lijf zich overgeeft wordt de tred soepel en gelijkmatig. Op de smalle paadjes lopen we in ganzenpas. Ieder in zijn eigen tempo. De overvloedige gele pijlen zorgen voor een deftige wegmarkering.

We zorgen goed voor elkaar, de laatste beetjes eten en drinken worden gedeeld. De bewondering voor onze kleine karavaan groeit. We ontmoeten nieuwe mensen en oude bekenden. Wisselen telefoonnummers en warme omhelzingen uit. In de avond eten we allemaal samen en wensen mekaar een goeie nacht.

Die nachtrust in belangrijk. Overdag moet er fysiek gepresteerd worden. Zo komt het dat we afgelopen nacht een asielzoeker hadden. Gevlucht van een kamer vol snurkende stinkende mannen leek de vrouwenslaapkamer hem een veilige rustige haven. Met zijn matras onder zijn arm stond ie voor onze deur.


Vertrouwen

De sterren schitteren hoog boven ons, we vertrekken vroeg vandaag. Het weerbericht belooft 30 graden. Dat is ons iets te heet. We willen voor de middag de meeste kilometers aftikken. Natuurlijk verdwalen we in het donker omdat we een richtingaanwijzer missen.

Nog voor twaalf uur hebben we al 14 kilometer gewandeld, een berg beklommen die niet op de kaart staat en drie keer ontbeten. Glutenvrij is niet echt de Spaanse specialiteit. Gelukkig zijn we ondertussen goed in wildplukken. Met onze zakken vol amandelen, walnoten en versgeplukte vijgen waarvan we er eerst een stuk of tien in onze mond proppen halen we de finish van vandaag zeker.

Lorca ligt op een heuvel. Die laatste 500 meter doen ons bijna de das om. Ik kan niet meer, ik wil ook helemaal niet meer. Voor ieder van ons is het meer dan genoeg. De knieën en voeten doen pijn, de rugzak lijkt bij elke stap zwaarder. Ruim 23 kilometer tikken we af.


Wat de weg ons brengt

In een geleende korte broek, een beetje ruim maar wel lekker luchtig begin ik aan de dag. Het is nog donker in Pamplona bij vertrek. Gisteren was er feest, een soort San Fermin maar zonder stieren. Onze voeten plakken aan het wegdek als we lopen. Het bier vloeide rijkelijk. We struikelen nog net niet over slapende mensen of tongzoenende jongeren.

We moeten vandaag een berg over, een hobbel van ruim zevenhonderd meter. Het is warm. De omgeving is adembenemend. Zover we kunnen kijken glooiende heuvels en bergen. Na vijf kilometer stappen komen we bij een klein dorpje. De café baas, een Bask met een enorme neus wenkt ons binnen. Er zijn net verse Baskische snackjes gebakken.

We lopen goed vandaag. Natuurlijk zijn er de gebruikelijke pijntjes en ongemakkelijkheden maar de achterste zullen de voorste zijn. We leggen vandaag een kleine 20 kilometer af. De liefdevol gesmeerde broodjes van de Bask onderweg houden ons samen met de illegaal geplukte vijgen en noten recht.


Pudding Jane

Het begint al in de nacht, de spierpijn is zo akelig dat ik bij het draaien in het stapelbed op mijn tanden moet bijten. Mijn kuiten staan in de fik. De trap is een onneembare vesting die ik alleen strompelend kan nemen. Dan moet het wandelen nog beginnen.

Gisteren was ik nog kipfit. De meeste van mijn wandelmaatjes wilden graag stoppen met stappen en een herberg opzoeken. Ik had nog gerust efkes door willen stappen. Nu lopen zij fluitend de berg op. Ik hang achteraan. Gelukkig is niet iedereen een hinde op de berg. Kan ik net doen of ik me sociaal laat afzakken om iemand te begeleiden. Mijn groep laat zich niet foppen. Ze zien me worstelen. Een voor een lopen ze naast me om me op te beuren.

Na vijf dagen worden de patronen in de groep zichtbaar. Wie het makkelijkst stapt, wie zijn lekkere hapjes altijd wil delen, wie stabiel en onverstoorbaar is. We ontwikkelen onze eigen humor en wilde fantastische verhalen. Zo kom ik de dag door.

Als we na het avondeten terug lopen richting onze slaapplaats passeren we een kraam met gepofte kastanjes. Ik trakteer, innig tevreden peuzelen we de veel te warme kastanjes al dessertje. Om acht uur liggen we allemaal in bed. Ik dacht dat het al tien uur was zucht er een.


Stasi

,Backpack, backpack, de man in het rode fleecevest staat tegen me te roepen in het gangpad. In de krappe ruimte heb ik mijn rugzak even op het bed gelegd om netjes in te pakken. On the ground, zijn vinger beweegt driftig heen en weer richting het linoleum,

Net sprak ik deze man nog beneden in de wasserette van het enorme klooster. Gewoon in het Nederlands want het immense gebouw wordt gerund door Nederlandse vrijwilligers. De hele tijd staat hij tegen iedereen te roepen, regels te verkondigen en te prikken met zijn vinger. Zijn gelijk is zeker niet het mijne.

Ik zet braaf mijn rugzak op de grond, goed zo, zo moet het. Hij kijkt al weer druk rond op zoek naar iemand anders die het fout doet. Kan ie weer lekker roepen, want hey, hij is hier wel de vrijwilliger die iets over heeft voor een ander.

Ondertussen gaat het Gregoriaans gezang wat me wekte om om zes uur in de ochtend gestaagd door. Het is een gewoon een cd zegt een van mijn wandelmaatjes. Stipt zeven uur houdt het gezang stil. De man in het rooie fleecevest heeft zeker en vast op de stopknop gedrukt. Hier gaat alles zo als het hoort.

Looft de Heer!


Wie zijn wij

Op de route komen we steeds dezelfde mensen tegen; De Italiaan Carlos die de hele dag met ons meeloopt want waar negen passen is een tiende geen probleem. Onze kleine karavaan heeft plek genoeg.

De Ier, zijn werk verloren, hij rent weg van zijn problemen thuis zegt ie, loopt naadloos in de pas. Het echtpaar uit Michigan, de indiaan uit Brazilië, de vrouw uit Hongkong met haar vriendinnen, we zwaaien, roepen tot vanavond en wensen mekaar een goeie dag.

Onvermijdelijk komt de vraag; Wat brengt jullie negen mensen samen? We kennen elkaar van het werk, in de zorg. We knikken vaag en hummen wat. Van te voren hebben we er over gesproken. We willen niet die groep uit de psychiatrie zijn want dat is niet wat ons verbind. Het is de liefde voor het stappen en de verwondering over de weg die we afleggen wat ons samen brengt.

Het gaat goed tot een van ons een verhaal begint over samenwonen. De verwarring is kompleet. Zijn we een soort  commune  en wie dan bij wie? De hele avond hebben we de slappe lach als we proberen te bedenken welke combinaties er van ons gemaakt worden.


Vrijwilligers

Het zijn nogal bergen die Pyreneeën, zo scherp, zo groen en vooral enorm steil naar boven. De wandeling van vandaag staat zeker in de top drie van mijn allermooiste.

We vertrekken nog in de schemering en zien hoe langzaam het licht over de bergen schuift. De schaapherder is hier de koning van de bergen. Vanuit zijn autoraam slaakt hij woeste kreten naar zijn honden die het werk doen.

Als we door al het klimmen de uitputting nabij zijn doemt als en fata morgana een wit busje op. Het blijkt een soort foodtruck avant la lettre. Hard gekookte eieren, bananen en thee en koffie. We slurpen de warme drank en proppen het voedsel naar binnen.

Tien kilometers van klimmen later staan we op de top, 1450 meter. We hebben het gehaald. Nu alleen nog de afdaling naar Roncesvalles. We slapen in het klooster.


Stilte

Scherp naar boven gaat de weg. De bergen groen en stil. De wolken maken vlekken die langzaam verschuiven. Ik hoor de snelle ademhaling van de man naast me. Voetje voor voetje ga ik.

Een rode wouw met gevorkte staart laat zich drijven op de thermiek. Opgewonden wijzen we. Nou ja twee van ons dan. De rest houdt zich niet echt bezig met de vogelen des velds.

Het is een dag van weinig woorden. De indrukken van gisteren waar we van alles te veel kregen en de majestueuze natuur van vandaag zorgen voor verstilling.

Alleen wanneer er twijfel is of ik de herberg toch niet per ongeluk over het hoofd heb gezien heeft iedereen een woordje klaar.

Net om de bocht staat het onderkomen voor deze nacht te blinken in de zon


Lost in Paris

Sardientjes, heel veel sardientjes in een krappe ton. Ik trek een van mijn wandelaars met een ferme ruk de overvolle metro in. Omvallen kan niet, bewegen ook niet want met mijn hele hebben en houwen sta ik geklemd. Voorzichtig ademen. De omroepstem zegt dat we er bij de volgende halte uit moeten. Einde lijn want er is iets stuk.

We moeten nog minsten zes haltes, dus wachten we op een nog voller perron op de volgende metro. Met veel duw en trekwerk zijn we binnen. Net in beweging verhaalt de snerpstem van een achtergelaten pakje. Volgende halte metrostel leegmaken. Wie weet is er een bom.

Daar staan we als een klein eiland in de eindeloze zee mensen. Het gaat nog uren duren. De tijd op mijn horloge geeft onverbiddelijk aan dat we onze aansluiting missen. Het is nog ver naar Sint Jean Pied de Port. Even zelfs lijkt het onhaalbaar.

Wandelen, het besluit wordt blijmoedig genomen. De kleine karavaan trekt verder. Langs de Luxemburgse parken, de ambassades en de senaat. De zon schijnt, de herfstbladeren kleuren. We missen onze trein maar ach wat geeft het, samen zijn we onderweg.

Ver na de verwachte tijd komen we aan in onze startplaats aan de voet van de  Pyreneeën.