Rome

De lucht boven Sint Pieter zindert van de hitte. Langzaam komen we dichterbij. Onwerkelijk is het, meer dan driehonderd kilometer stappen, uren lang, eindeloze gesprekken over dieppe zin en vreselijke onzin. Het besef dat het doel bereikt is komt nog niet.

Rome zucht onder de deken van vochtige warmte, ook al ben ik hier, zijn we allemaal nog heel, het zweet drupt nog net zo hard van mijn lijf als gisteren. Ik bekijk onze kleine groep, de afgelopen weken zijn ze mijn wereld en ik de hunne.

Pas nu ik ze op de rug zie sjokkendoor deze grote stad, wit van vermoeidheid, een beetje chagrijnig zelfs, springen de tranen me in de ogen. We hebben elkaar hier gebracht. Deze kleine familie is de karavaan en de karavaan trekt altijd verder.

Heimwee vult mijn strot. Geen idee naar wat ik wee heb. Misschien is de weg wel toffer dan het einddoel


Daar waar liefde is

Anderhalve kilometer per uur gaan we. Ik erger me enorm aan de staart van het peloton. Ik hou van vooruitgaan. Het asfalt plakt aan mijn schoenen. De voeten gloeien in mij schoenen. Elke keer weer moet ik wachten op de laatste.

Het liefst zou ik willen gillen of iemand willen slaan. Dat doe ik natuurlijk niet. Ik gebaar wel wild naar alle Italiaanse automobilisten die te hard aan komen rijden bij onze overstap plaats. Stommerik sis ik tussen mij tanden als er een met minsten tachtig kilometer per uur op de zebra komt af racen.

Drie fietsers stoppen als we ze voor de tweede keer tegenkomen. Verkeerd gesticuleren ze, hartstikke verkeerd lopen we. Minstens vier kilometer moeten we terug, dezelfde pad als gekomen.

Onderweg eet ik ijs, chips en chocolade. Een groot glas cola erbij. Nog nooit in mijn leven at ik in een dag zo veel rotzooi om staande te blijven. Natuurlijk kan dat niet goed gaan. Ik voel mijn hartslag stijgen en de stoom komt uit mijn oren terwijl onze groep voortstrompelde op de stoep.

Uitgeput zak ik samen met mijn kamergenoot achterover op bed. Contact met het thuisfront om te troosten. Met een enorme klap stort onze glazen lamp van minstens vijtig centimeter doorsnee op het bed. Glasscherven overal. Als twee konijnen in de koplampen van een auto kijken we mekaar aan.

Bijna een been af of op zijn minst een slagaderlijke bloeding. Onze fantasie lekker levendig. We krijgen een ander kamer en de slappe lach. Een flesje wijn uit de minibar verzacht de bibbers.

 

 


Overvloed

Vingers rood van kersensap, nooit zag ik vollere bomen. Handenvol pluk ik onder het lopen langs het pad. Een abrikoos met oranje gespikkeld vel, nog warm van de zon. Perziken die smaken naar wijn met suiker.

Na twintig kilometer stappen vinden we een onverwacht maar welkom geschenk tussen de verlaten velden.  Lange tafels, verweerde banken. Schaduw van een oude eik met knobbelige bast.  De vogels zingen en de hagedissen ritselen geschrokken in het gras wanneer de uitgespuwde pitten hun territorium belagen. We eten er in alle sereniteit ons middagmaal.

Je moet je hand maar uitsteken en De Heere plast in je hand. Dat vinden ook de steekbeesten des veld. Op elke onbeschermd plekje laven ze zich aan mijn bloed.


Kak

Op vijf kilometer ga ik voor de eerste keer dood. Het is dertig graden en nog maar net tien uur geweest. Om zeven uur vertrokken in de hoop op koelte die al lang vervlogen is. We moeten nog minstens zestien kilometer.

Ik kan bijna niet geloven dat de weg alweer omhoog gaat, je zou denken dat ik de hemel al lang bereikte. Het tegendeel is waar. Ondanks de paradijselijke omgeving van overdading groen in alle voorstelbare tinten, een pitoresque ezel en een stoere schaapherderin in een strakke legging wordt dit een helse tocht.

Maar goed: Als er in drie dagen tijd een keer in je schoen en daarna op je rugzak gekotst wordt weet je eigenlijk wel dat er onheil op komst is.


De weg is sterk

De borden pasta volgen elkaar in rap tempo op. Glutenvrij hebben we het dan over. Met zoete tomatensaus, pikante, met geraspte schapenkaas en weet ik veel wat. Met mijn vinger lik ik mijn bord schoon. Italië als walhalla voor de mevrouw van de senza glutine.

Het leven terug gebracht tot zijn essentie. Met een volle maag stappen we tevreden verder, nog een kilometertje of zeven en dan zouden we wel op onze bestemming moeten zijn. Een boerderij met een zwembad. We verheugen ons enorm net als het stel Oostenrijkers, al ver boven de puberleeftijd maar pas getrouwd en verliefd.

Het stel komt een half uurtje na ons aan in de boerderij op de heuvel. We zitten net aan de cola uit plastic bekertjes. Het huis is helemaal vol hoor ik de eigenaar met veel gebaren zeggen. Niemand past er meer bij, wij zijn er namelijk met zijn dertienen.

Binnen geen tijd wordt hun probleem het probleem van de eigenaar van onze slaapplaats want: Heej, het zijn wel pelgrims en die weiger je geen slaapplaats.

Na wat heen en weer bellen en de onverzettelijke Oostenrijkse volksaard: Wij gaan hier echt niet weg, wordt er een huisje geregeld. Met een fles wijn en twee boterhammen met kaas onder de arm worden ze per auto vervoerd.

Ik vraag me de hele tijd af: Is dit een mirakel of zijn dit gewoon hele vervelende dwingende Oostenrijkers?


Stommerik

De deur van de hotelkamer slaat met een klap achter hem dicht, oeps, kijkt mijn reisgenoot sip, mijn sleutel is nog binnen. Ik fix het wel even en vraag de hoteleigenaar om de reserve sleutel.

Een kleine man, hij past met gemak onder mijn arm. No problem, hij zegt het met een vet Italiaans accent. En huppelt achter mijn reisgenoot de trappen op. Terwijl ze weg zijn en ik tevreden met mezelf en zo een oplossend vermogen boffend sta te wachten realiseer ik me dat mijn sleutel ook nog op de kamer ligt.

Ik benutte deze rustdag vooral om diep en gelukzalig te slapen en blijkbaar zijn mijn hersens wat trager dan mijn lijf als het om wakker worden gaat. Wanneer de kleine man weer terug beneden komt gaat ie meteen achter zijn bureau in een soort grotachtige nis zitten.

Ik gebaar dat mijn sleutel ook nog in mijn kamer is. Nee, nee ik heb de deur net opengedaan. Driftig staat ie met zijn armen te zwaaien en knikt met zijn hoofd. Yes, Yes, hij roept steeds harder. Ik piep dat ik niet op die kamer slaap en dat ik een andere kamer heb, sorry, sorry.

Halverwege de trap die we samen opstappen begint hij in het Italiaans te vloeken. Wanneer hij mijn deur opendraait bijt hij me toe dat ik ook niet steeds de deur op slot moet doen.

Dan krijg ik zo enorm de slappe lach, ik kan niet meer ophouden. Met een klap slaat hij de deur achter me dicht terwijl ik me zijdelings op het bed laat zakken. Een mens zou er nog in blijven. Op de Fransiscusroute komt het gevaar uit onverwachte hoek.

 


Nabij

We stappen samen op door het bos. Het licht maakt gouden vlekken op ons pad. De vogels zingen uitbundig en net aaiden we nog een kat. Het water uit de bron is helder en ijskoud. We vullen onze flessen.

Ik denk dat het vroeger, toen de mensen nog meer verbonden waren met de aarde en hun omgeving, gemakkelijker was om in God te geloven. Met de natuur zo uitbundig en betoverend de hele dag om je heen is het bestaan van een opperwezen plots een stuk aannemelijker concluderen we.

Achter me hoor een een paar stevige vloeken wanneer iemand half surfende de kiezelsteen helling afgaat met een steunzoekende aan de ene arm en druk gebarende met de andere.

Niks aan de hand, er is evenwicht wijst ie op de man aan zijn rechter arm: Zo laat uw linkerhand niet weten wat uw rechter doet!

 


Vondst

Het pad is zo stijl, ik val bijna achterover. Het einde is niet in zicht. De orchidee staat te blinken in de berm. Die moet wel heel bijzonder zijn denken we. Voorzichtig benaderen we deze schoonheid met grote paarse bloemen met een soort gevlekte sprieten. Ik maak een foto om de boel later te determineren. Daar is nu geen tijd voor en bovendien drupt het zweet in mijn ogen, dat steekt als de hel.

Blinkend ligt er 10 cent op het mottige asfalt. Iedereen loopt achteloos voorbij. Niet oprapen is voor mij geen optie, dat brengt minstens zeven jaar van armoe. Later vind ik ook nog een hemelsblauwe knoop op de weg, dat lijkt me ook een handig attribuut.

De twee vrouwen zitten op het trapje voor hun huis. Een van hen lacht me stralend toe. Witte rimpels en voor de rest is haar gezicht diepbruin. Ik zet me naast haar. Zevenentachtig wijst ze me op haar handen aan. Haar zus, behangen met zuurstofflessen en slangen is drieënnegentig. Ze kust me op mijn arm wanneer ik verder wil stappen.

De auto naast me stopt. Het raampje gaat naar beneden. De man achter het stuur steekt me een bloem toe. Hier, een plaatselijke orchidee!

Het is de zeldzame plant waar ik deze morgen zo voorzichtig een foto van nam


Zinne

De kerkklokken die me van hoog in de bergen toe beieren, het geluid draagt ver. De snelstromende rivier die zijn water over de rotsen laat slaan. Geritstel van de bladeren. Het zijn de geluiden van dit land die me wiegen in mijn stap.

De geur in de vroege morgen, als we vertrekken alles nog nat van de dauw. De raspende adem van mijn wandelmaatjes als we de stijle helling op gaan, soms ruikt die naar yoghurt, koffie of tabak. Zelf ruik ik na een uur of wat klimmen in de warmte ook niet meer echt naar rozenblaadjes. We leven dicht op elkaar de groep en ik.

Vol van verwondering kijk ik naar hun zorgzaamheid, de aandacht voor elkaar of het compleet ontbreken daarvan. Ieder is vrij om een rol te kiezen.


Machtig

In de spiegel van de badkamer kan ik mijzelf van alle kanten bekijken. Na een week stappen  is mijn stroomlijn significant  verbeterd ten opzichte van een paar weken geleden. Vooral mijn benen bezie ik liefkozend.

Wanneer ik mijn tenen naar mijn neus beweeg verschijnen er twee kussentjes op mijn scheenbenen. Enthousiast roep ik naar mijn kamergenoot. Die kan ze zonder lenzen zien. Kei trots ben ik op mijn spieren.