Tagarchief: ongeluk

Spoedje

Paniekerig kijk ik rond me en zie alle soorten en maten gips, zwachtels en bergen watten. De dokter is jong maar beslist. Een band aan de linkerkant van de knie is zeker stuk of gescheurd. Zeer pijnlijk, met rust moet het overgaan doceert ze.
er wordt een heus pijnstillingsschema opgezet met wel twee verschillende soorten dempers. Een ding is zeker, ik wordt hier serieus genomen.
Ik kan moeilijk denken, het idee van gips, onbeweeglijk en rust neemt me nogal in beslag. Opgelucht haal ik adem als ze het heeft over stevig zwachtelen, het zal nogal een gevaarte worden waarschuwt ze. Mij kan het niet schelen, ik zal geen keihard koud blok aan mijn been krijgen. Als de verpleegkundige komt om zijn inpakwerk te doen piep ik snel anders. Van boven mijn enkel tot ver op mijn bovenbeen gaan er dikke lagen watten en elastisch verband op.
Geen kant kan ik nog op. Als ik later op de middag met twee krukken door mijn huis met de zeventwintig trappen dwaal krijg ik de slappe lach, Iemand nog een bejaardenwoning over?


Poef

In zeven haasten fiets ik door de Forelstraat. Nog snel een boodschap doen. Ik hou mijn aandacht maar matig bij de weg die ik volg, mijn hoofd zit vol met dingen die aandacht vragen.
Wat reutelt er toch aan mijn fiets?
Ik probeer opzij te kijken, het geluid komt ergens van bij mijn kettingkast. De bloemetjesrok die ik aanheb waait opzij. Ik buig me nog iets verder om te zien wat er precies aan de hand is.
Op het moment van opkijken doemt de witte bestelbus levensgroot en veel te dichtbij op.
Vol in de rem duw ik mijn fiets de andere kant op. Dat lijkt even te lukken tot ik ontdek dat de fiets op de weg klettert en ik met een rotklap op de zijspiegel klap.
Op een of andere manier land ik wel keurig op mijn twee voeten. Bibberend van de klap bekijk ik de schade. De auto heeft een verbogen spiegel, die zet ik recht.
Ik heb een gebutste arm en enorm gekrenkte eer, welke muts rijdt er tegen een geparkeerde auto.
De stadse fiets ligt zuchtend op de grond, wat een aansteller!


Johan

Een keer of twee per week gaat in het diepst van de nacht mijn mobiel. Het is Johan die me belt omdat er een auto van de Tractaatweg is geraakt of een paard losgebroken in Nieuwvliet.
Johan kan niet slapen. Voor hem is holst van de nacht zo helder als de dag, hij zit met zijn oor tegen de politiescanner gedrukt.
Meestal grabbel ik slaapdronken op mijn nachtkastje, bedank hem vriendelijk voor het bericht en rol me weer op onder mijn lekkere warme donsdeken.
Nu is het midden op de stralende lentedag dat mijn telefoon begint te piepen.
Een ongeluk ergens op een dijk in Oost Zeeuws-Vlaanderen, brandweer en ambulance rijden al. Het lijkt ernstig, zegt Johan, want de traumaheli zal ook komen.
Elke keer als ik hoor van een ongeluk slaat mijn hart een slag over en doe ik een schietgebedje, overtuigd als ik ben dat er een dag komt dat ik een bekende auto in de kreukels zal zien en er iemand uitgezaagd wordt die ik graag zie.
Als ik ter plekke kom, wapperend met mijn politieperskaart, haal ik opgelucht adem. Deze auto ken ik niet.
Mijn opluchting is van korte duur. Ik zie de strakke gezichten van de brandweermannen, ze bijten op hun tanden. De vrachtwagenchauffeur die bij het ongeluk betrokken is staat naast zijn van de dijk gegleden bakbeest. Asgrijs rollen er tranen over zijn gestoppelde wangen. Al die stompzinnige details, een geel vrachtwagenzeil, de chauffeur heeft zich niet geschoren, zijn jeans is te groot, branden zich op mijn netvlies.
De andere auto zit compleet in elkaar gedrukt aan de voorkant. Ik zie de wanhopige gebaren van de mannen die anders altijd zo lief voor me zijn maar me nu korzelig terzijde schuiven.
De mensen van de ambulance, de heli die landt, de arts die eruit komt gesprongen en rent naar de plek waar die verwacht wordt.
Dan wordt het stil, de mensen rond het witte busje verstommen. De mannen met gebogen schouders, de commandant moet slikken voor hij me te woord kan staan.
Een jonge gast, greep even naar zijn telefoon, week van zijn lijn af, raakte de vrachtauto. Hij was bij kennis, zijn been zat klem, we konden er niet bij.
De stilte is oorverdovend.
Het beeld van die jongeman op de brancard, het laken dat hem bedekt dat wappert in de wind, op de warme, mooie dag dat hij zijn been en zijn leven verloor.
Ik denk nog vaak aan hem, zijn ouders, zijn lief, zouden ze ooit mijn opluchting kunnen vermoeden?


De man in het raam

Terug van Gent door de donkere polder reed ik. Staat er plotseling een oude man met een bruine jas midden op de weg. Een beetje gebogen, zijn jas schuin dichtgeknoopt. In de sloot een auto op z’n zijkant. “Ik reed zomaar in de sloot, zo uit de bocht”. Maar er is geen bocht de weg is recht. Hij bezweert me dat hij niks heeft. Alleen een beetje koud. Hij staat op 20 meter van een boerderij maar belde niet aan om hulp te vragen. “Net kwam er een man met een stropdas, die wilde geld zien. Die zit hier dertig meter verderop in de sloot. Raar hè? ” Ik zet hem voorzichtig op de passagiersstoel. Hij woont in mijn dorp vertelt hij en nee hij heeft echt nergens pijn. Zijn vrouw is al een jaar of vier, vijf geleden gestorven. Hij geeft me zijn adres. Als ik voor de deur stopt is er geen teken van herkenning. Hier is het zeg ik. Stil zit hij in de auto. Met hulp staat hij bibberig op. De deur van het huis staat open. Overal branden de lichten. Volk! Volk! roep hij een paar keer als we het huis binnen schuifelen. Ik help hem uit zijn jas. Mag ik hier roken, vraagt hij. Ik bel ondertussen zijn dochter, haar naam en telefoonnummer staan op een papier naast de telefoon. Ik vertel haar wat er aan de hand is en dat ik bij haar vader wacht tot zij aankomt. De man zit in zijn stoel en kijkt naar buiten. Hij ziet zichzelf in de ruit. “Wie is die vent toch? Het lijkt wel een bekende”.


Koffie-verkeerd

handig

handig

Echt handig is Madame niet. Regelmatig struikelen de voeten, stoot ze d’r knie, valt er een pot dennenhoning op de keukenvloer te pletter, zijn de sleutels spoorloos, staat ze op iemands teen, zegt iets wat ze beter niet had kunnen zeggen. Vanmorgen ging het even mis op het werk. Hoeps, de koffie-verkeerd vloog zo in het toetsenbord. Het leek nog mee te vallen tot de letter P als eerste ten prooi viel aan de koffie. Vreemde tekens en haakjes kwamen er uit het toetsenbord . Madame wist van het bestaan niet af. Zit er maar een ding op. Afspoelen en laten drogen. Dat eerste is gelukt!


Gruwelijk

werktas

werktas

Meestal gaat Madame fluitend naar het werk. Vanmorgen was ze stil. Een gruwelijk ongeluk. Twee bromfietsers op elkaar gereden. Alle twee overleden. Madame moest op zender. Sta je dan in het donker, naast de zwaailichten. Je gaat vertellen over een dodelijk ongeval . De identiteit van de slachtoffers is nog niet bekend. Het kan dus net zo goed het neefje van Madame zijn. Of de dochter van de buurman. De radiostem wordt ergens diep vanonder het stof gehaald, live de uitzending in. Het is niet het neefje, de dochter van de buurman. Toch drukt er de hele dag een steen op de borst.