Tagarchief: ontmoeting

Helder

IMG_0278[1]
De man met de intens blik komt tegenover me zitten aan de tafel in de zon. Ik bestel een koffie verkeerd en hij een zwarte straffe bak. Ver over de zeventig, het blauw van zijn overhemd accentueert de kleur van zijn ogen, zijn grijze haar, de pretrimpels die zijn gezicht doen leven geven hem een stralende krans van geluk.

Wat een mooie dag, knik ik. Toch zal er ook verdriet zijn vandaag, zeker dat er mensen sterven. Hij zegt het met grote ernst. Op zo’n dag als vandaag zou ik best willen doodgaan, ik neem een grote slok van mijn koffie. Waar zouden we naar toe gaan Waar zijn we voor we geboren worden?

Terwijl we spreken kijken we mekaar diep in de ogen. Je kan je lot niet ontlopen maar je kan wel kiezen hoe je er mee omgaat We houden de handen stevig en lang vast als we afscheid nemen. Terwijl hij naar zijn fiets stapt, straks taart eten bij zijn kleinkinderen, overvalt me een groot gevoel van geluk. Zonder afspraak weet ik van een weerzien.


Lente

Op de drempel van het café, ik in, hij uit, ontmoeten onze blikken. De man kijkt zo triest, ik wankel en mijn stap aarzelt. Zijn grijze korte haar krult, zijn mond vertrekt in een grimas die me vaag herinnert aan wat zijn glimlach zou kunnen zijn. We passeren.

Tussen de drukbezette tafeltjes op de stoep sta ik te kletsen als de man daar opnieuw is. Deze keer rollen de tranen over zijn wangen. Mag ik even met jullie praten? Pas genezen van een akelige ziekte zijn alle laagjes tussen hem en de wereld verdwenen. Ongefilterd komen de emoties bij hem binnen. Ik aai hem over zijn arm, zachtjes.

Ik zit al lang weer in gesprek, mijn benen bungelend want de kruk is hoog, hij komt gedag zeggen. Als ik rechtsta om hem te omhelzen buigt hij zich een beetje voorover. Zo omhul ik hem met alle warme energie die daar is. We zwaaien.


Ongelukkig

Zorgeloos stap ik over de stoffige weide, de dag aan mijzelf, een hele festivalnamiddag en avond ligt voor het grijpen.
Bij de oxfam koop ik een plastic beker wijn. Ze vullen hem tot het randje. Ik zip het bovenste slokje tegen het overklotsen.
Het geluk kan niet op als ik op het uitverkochte festival een tafeltje ontdek met drie lege stoelen. Van de man die op de enige bezette stoel zit en die vanachter zijn zonnebril naar zijn glas Ricard zit te staren mag ik aanschuiven. Ik zet me op de verste stoel, de rugzak op het houten plankier, haal mijn krant eruit en installeer me. Tevreden sla ik mijn ene been over het andere, tik de tafel aan en stoot alle twee onze drankjes van tafel.
Ik put me uit in verontschuldigingen en bied aan een nieuw drankje te halen. De man wil er niet van weten. Als compensatie voor mijn behinderde motoriek biedt hij me een nieuw drankje aan.
Als we elk ons weegs weer gaan spreek ik af dat hij bij de volgende ontmoeting de drank mag omschoppen en dat ik dan trakteer.


Verwacht

Mijn wekker loopt af in het holst van de nacht. De koele stof van de onderjurk streelt mijn slaperige lijf. Ik weet de man zal wachten.
Ik stel me voor hoe hij, net zo slaperig als ik, de trap af zal gaan om de voordeur op een kier te zetten.
Hij weet dat ik zal komen.

Je moet je ogen dicht doen als ik boven kom, ik geef hem van te voren de opdracht niet te kijken. Anders voel ik me verlegen.

De rit in het donker, ik hou mijn adem in als ik zijn straat in draai. Op blote voeten ren ik het kleine stukje naar zijn stoep. Onzeker duw ik tegen de deur, die geeft mee.
Voorzichtig sluip ik de trap op. Ik hoor aan zijn ademhaling dat er hier niet geslapen wordt.
Hij tilt het dekbed net ver genoeg op om me er tussen te laten. Ik nestel me in zijn schoot. Zijn lippen krullen tevreden, mijn lijf reageert als ik hoor hoe hij lacht.


Harig

Terwijl de slager vlees voor me in papier draait probeer ik uit alle macht niet te denken aan hoe hij er bloot uitziet. Overal zie ik haar. Vanonder zijn mouwen krult het, in zijn nek loopt zijn kapsel scheidingloos over in het haar op de rug. Zijn zwaar behaarde vingers vouwen teder verder aan het papier. Een snor siert zijn gezicht, de v-hals van zijn slagersjas houdt zijn borsthaar niet in toom. Ik moet er steeds naar kijken en mijn fantasie slaat op hol. Ik denk aan hoe hij in de nacht zijn vacht kamt, zittend op bed in het licht van de maan. Op het nachtkastje een bordje met bloederige biefstuk.
Vijf euro twintig, hij steekt me over de toonbank van zijn kleine witte busje op het marktplein mijn tas vlees toe. Ik kan geen weerstand bieden en raak bij het aanpakken met mijn vinger zijn hand aan. Zodra hij mijn aanraking voelt kijkt hij op. Ik trek snel mijn vinger terug en mompel merci. Met rooie wangen en de herinnering aan zijn zachte vacht stap ik uit beeld.