Tagarchief: Yvonne

Vuur

Met mijn hand op het hart beloof ik dat ik de spullen in de twee dozen op zolder zonder kijken in de fik zal steken. Als een half dood vogeltje lig je op het bed in de kamer. We zitten hand in hand. Het zal zeker niet meer lang duren voor je helemaal dood bent.

De dozen bevatten dagboeken, brieven van oude en nieuwere liefdes, ontboezemingen die je met niemand wil delen. Als ik opper dat de kinderen later misschien wel iets zouden willen weten ben je scherp en beslist: Dan vragen ze het jou maar! Uiteindelijk krijg ik je zo ver dat ik de foto’s er van tussen mag halen.

Nog voor je sterven word ik met de dozen naar huis gestuurd om zeker te zijn dat ik de enige ben die de papieren onder ogen krijg.

Maandenlang staan ze in mijn logeerkamer, onaangeroerd, je kent me goed. Het komt niet in me op de dozen te openen of te gaan snuisteren tussen je spullen. Bijna een jaar na je dood voel ik dat het moment daar is. Het vuur laait hoog op. Ik schenk me zelf een goed glas wijn in om de geesten gunstig te stemmen en gooi papier na papier op de brandstapel.

Er valt een briefje van tussen twee schriften. Bij het oprapen kan ik niet voorkomen dat ik de houterig geschreven woorden lees. Het is een briefje van een van je kinderen, een lief briefje. Dan breek ik mijn belofte en schud al je papieren uit. Zonder me ook maar één minuut schuldig te voelen red ik een nalatenschap.


Wildplanters

Met een spa maken we diepe voren in de grond. Met onze handen breken we de enorme klompen sneeuwklokjes in stukken. We wroeten en duwen net zo lang tot ze fier rechtop het spoor van het pad naar haar graf nog eens extra oplichten. De bolletjes die we jaren eerder in de grond stopten laten net nog maar hun neus tussen het gras zien. De nieuwe klokjes wiegen met hun witte knopen feestelijk heen en weer in de wind

Elke keer als ik aan haar graf sta voel ik weer de wanhoop van het moment van in de grond verdwijnen, het onherroepelijke afscheid, nooit meer terugzien. Te groot om te bevatten in elk geval. Hoe ik kletsnat van de striemende regen besloot niet te breken.

Dapper sta ik nog steeds rechtop en vier het leven.


Waar de wind waait

De lucht trilt van de hitte, ik zit in mijn naakje op de berg in Zuid Spanje. Mijn benen bungelen in het water van een amateuristisch gegraven zwembad. Tegenover me zitten twee kikkers lodderig op het hete beton. Als ik spet laten ze zich verschrikt in het water plonzen. De schaduw van de bomen brengt nauwelijks verkoeling en ik voel de zweetdruppels van onder mijn borsten naar beneden rollen.

De enige waarneembare beweging zit in het omslaan van de bladzijden van het boek dat ik lees. Bleek en hard is het licht, granaatappels opengebarsten in de bomen, de bruine hond naast me hijgt zo oppervlakkig mogelijk. Roerloos het hoge gras dat me omringt. Af en toe neem ik een slokje water uit de fles, het is lauw.

Uit het niets waait de wind, ik hoor hem eerder dan dat ik hem kan voelen. Een vaag ver ruisen dat luider en luider op me toe komt. Het gras slaat plat, de hond spits zijn oren, de kikkers verdwijnen met een reuzensprong in het heldere water. Ik hoor mezelf zeggen: Yvonne gaat dood.

Twee weken later sta ik aan haar bed en hoor stom het verhaal van hoe ze zal sterven. Binnen in mij de wind van ver uit het niets.


Stom

Jij was er vast van overtuigd: Er is iets na de dood. Zo zeker als jij was ik beslist niet. Hoe, wat en waarom dan? Als je dood zou zijn waarom zou je dan terug willen naar de plek die je net verlaten had?
Omdat je de mensen die je liefhebt mist?
Je wilde niet spreken van geesten maar wel van voelen en ervaren.
Nu ben je zowat tien jaar dood.

Je bent verworden tot mijn innerlijke stem.

Je spreekt me streng toe, op het drammerige af soms. Je maant me om contact op te nemen met mensen die ik te lang niet zag of sprak. Je juicht als ik succesvol ben en staat op en neer te springen van enthousiasme als ik iets wilds doe of een nieuw kunstje leer.
Vaak zit ik niet te wachten op dat commentaar ergens in mijn binnenste. Wat dat betreft is er in de jaren niet veel veranderd want toen je nog in volle glorie aanwezig was en je je harde woorden kon verzachten met een kus of een omhelzing was ik ook niet altijd blij met je messcherpe beschouwingen.

Misschien moet ik me verwonderen over wat jij nu voor mij bent en was het dat wel wat je bedoelde toen je, in een ander leven, sprak over leven na de dood.

Ik hou nog evenveel van je, ik erger me nog evenveel aan je en ik mis je meer dan ooit.


Yvonne

Sinds jij er niet meer bent ben ik eenzamer geworden, harder denk ik ook want wie vangt me op als ik me met ogen dicht achterover laat vallen?
Ik mis de schaamteloosheid waarmee we onze gevoelens deelde en de wereld bezagen.
Vandaag vier ik je vijftigste verjaardag, wat jammer dat je er zelf niet bent.


Uit

IMG_3369

Ik zie je zitten in je bed in de kamer. Broodmager, je horloge op het nachtkastje, zo’n verrijdbaar ding van de thuiszorg in mottig beige, de poes op bed. Je hebt net een ijsje op, poes mag de restje oplikken.
Dini heeft je haar geknipt. Ik moet er wel een beetje fatsoenlijk bij liggen straks als ik dood ben zeg je.

We praten over de begrafenis, ik zal spreken beloof ik. Je wil graag weten wat dan. Dat ik zo van je hou, natuurlijk. Ik heb werkelijk geen idee welke woorden ik moet gebruiken als jij dood bent.

Ik leun met mijn billen tegen de gaskachel. Het is ijskoud in je kamer, jij hebt het steeds zo warm. Opgetogen vertel je dat je weet welke grafsteen je wil: Een grote roze driehoek.
Ik krijg de slappe lach, jij niet.
Je bent bloedserieus. Ik kom met argumenten: Je hebt de afgelopen tien jaar geen roze driehoek gedragen, wat doet het er toe dat je sex met vrouwen had als je toch dood bent, het ziet er belachelijk uit, waarom wil je een statement maken na je leven?

Je blijft standvastig als een koppig kind. Bovendien herinner je me er fijntjes aan dat ik beloofde je wensen te respecteren.
Zelfs mijn wanhopige vraag waar ik dan wel zo’n reuze roze driehoek vandaan moet halen leg je naast je neer.
Volgens jou verzin ik vast wel iets

Nou dat deed ik Yvonne, want je was mijn allerliefste vriendinnetje, ik had hem eigenhandig gebakken als het moest. Gelukkig vond ik een vrouw die enthousiast aan de klus begon.
Maar god wat is dat ding lelijk. Ik kan niet wachten tot ie stuk vriest. De hele winter al hou ik hem als een havik in de gaten. Ik tik even op de bovenkant als ik je graf bezoek. Mompel spreuken en verwensingen.
Wat een opluchting zou het zijn als ie in gruzelementen lag. Dan laat ik samen met de kinderen, je zus en de rest van je vriendinnen een deftig monument maken.

Ik mis je zo Yvonne.


Weerloos


Mijn stappen weerklinken in de natte straten, sneeuwwater drupt in het riool. Naast me loopt de muzikant. Ik voel de aandrang zijn hand te nemen, zo verloren ben ik daar in mijn stad.
Het is de sterfdag van Yvonne piep ik als hij vraagt hoe het mij vergaat.
Dan spelen we vanavond een nummer voor Yvonne.
Tijdens het inspelen voel ik hoe de tranen warm en langzaam over mijn wangen rollen. Ik knipper met mijn ogen tot het op is.


Reis

IMG_0909
Nog kan ik bijna niet geloven dat jij aan je lange reis bent begonnen. Met de voeten in de sneeuw sta ik aan je graf. Ik voel me koud en eenzaam. De thee die ik daarna drink wil mijn binenste maar niet bereiken. Ik wacht tot ik smelt.


Gezichtsbedekking

masker
Te ingewikkeld om te delen knarstand ik maar wat. Het gaat wel zeg ik tegen mijn geliefden.
Dat is natuurlijk een leugen en dat weten ze ook. Zo houden we met zijn allen de adem in.
Ik brand mijn tong aan hete koffie, de tranen springen in mijn ogen.
Ik leef een beetje naast de tijd. Ik wacht tot ik mijn eigen oude opgewekte zelf weer tegen kom.


Rijk

Hoe vaak, tussen waken en slapen in, richt ik het woord tot Yvonne. Zo graag zou ik haar in mijn dromen tegen komen, vastpakken, mijn armen stevig om haar heen slaan, zeggen hoe zeer ik haar mis. Nikste minder met de tijd, méér! In de kinderlijke gedachte dat ik mijn dromen kan sturen roep ik ergens diep van binnen keihard haar naam.

De afgelopen jaren kwam ze twee keer op bezoek. In de verte hoorde ik haar lachen, teder zegde ze mijn naam.

Nu krijg ik elke nacht bezoek van de dichter. Op kousenvoeten stapt hij mijn dromen binnen. Neemt me mee naar zijn huis waar ik nooit was. De steile zoldertrap met smalle treden, overal knipsels en papieren. Half afgemaakt werk, kleine raampjes. Hij draagt dikke truien, de houtkachel is aan. Aan de muren oude lijsten met tekeningen en collages, stapels met kranten en artikels die nog gelezen moeten. Een mok staat op de tafel er ligen pennen. Het ruikt er vaag naar kachel, tabak en koude koffie. De verzakte tegels op het pad naar zijn voordeur. De kier waaronder het tocht. Hij zit in een oude zetel, een beetje voorovergebogen, vanonder zijn krullen kijkt hij naar me terwijl hij met gebaren zijn woorden onderstreept.
Hij spreekt, ik luister.
Als het licht nog grijs is wordt ik wakker en weet ik moet terug, de dichter moet me nog iets zeggen.
Zodra ik mijn ogen sluit ben ik weer daar. Mijn rug is koud, de voorkant warm want daar staat de kachel.
Pas als ik mijn benen over de rand van het bed sla laat hij me los en kan de dag beginnen.