De tranen druppen langs mijn wangen naar beneden. Niet omdat ik verdriet heb maar omdat mijn ogen te moe zijn om de tranen tegen te houden
Hoepla
Vijftien meisjes en een hele stille jongen. Verlegen met zijn te zware lijf beweegt hij zich in de groep jonge godinnen. Tijdens de sessie beeld krijgt iedereen een groot stuk bruin papier. De opdracht: Maak geen hoofdeksel.In de kring wordt het geen hoofdeksel gespresenteerd. De jongen heeft een soort cape gemaakt. Zwierig hangt ie over zijn schouders. In zijn blauwe shirt stapt ie met cape de kring in. Zijn arm gaat de lucht in, een been van de grond. Ik ben superman zegt hij zachtjes!
Stage
Ik maakte kennis met mijn veertien studenten die vier dagen met mij op zullen trekken. Ze vonden mijn nieuwe haar cool!
Warm
De zon schijnt door de grote ruiten naar binnen. Ik sta ik de rij te wachten tot ik aan de beurt ben. Verlangend kijk ik naar de grote kommen soep waarmee de mensen langs me stappen richting overvolle tafels. Ondanks de zon waait er buiten een ijzige wind en zijn mijn vingers wit en gevoelloos. Terwijl ik wacht scan ik de tafels op een zitplaats. Ik heb geluk, net als de soep in mijn kom wordt geschept staat er iemand op, dankbaar schuif ik op de vrijgekomen plek. Langzaam lepel ik mijn soep. Als ik opkijk staat er tegenover me een smoezelig boodschappenwagentje. Een oudere man staat er onhandig naast met soep en dienblad. Hij wil tussen de mensen op de bank, na enig gemor en geschuif lukt dat. Ongeschoren, ongewassen, kleren vol vlekken, vieze nagels, geen tanden. Felle waterige oude blauwe ogen kijken me aan. Ik lach en wens hem smakelijk eten.
Zijn broodjes moeten eerst in de soep want anders kan hij ze niet bijten. We praten over het eten en de familie van de nachtschade. Hoe hij als kind ook al geen tomatensoep luste. Hoe de pompoensoep van zijn moeder smaakte en dat hij eigenlijk een Waal is maar graag Vlaams spreekt. Hij verzamelde vroeger schaakboeken, kasten vol, won regelmatig een wedstrijd. Speelde op hoog niveau. Ik knik, stel een vraag en mijn neus registreert dat ie een beetje muftig ruikt. Het laatste restje soep schraap ik uit mijn kom. Op de dienbladen rond mij ligt als dessert een mandarijn. Mijn blad is leeg op de soepkom en het servet na. De man ziet me kijken. Hij pakt het mandarijntje van zijn dienblad en legt het voor me. Hij tikt erop en knikt: Voor jou!
Ik peuter de schil los en eet partje voor partje. Als hij opstaat krijg ik een hand, hij houdt hem vast.
Ernstig en langzaam wordt ik bekeken. Wees gelukkig zolang het kan.
We steken alle twee ons hand op als hij de deur uitstapt.
Dat was de vader van Dutroux zegt de man naast me.
Zegt ze
Doe de deur maar dicht, zachtjes want je wilt niemand storen. Ik ben hier in het donker. Nooit ben ik verder weg en dichterbij dan jij me zou willen dromen.
Onverwacht
Het genoegen om te voelen dat ik niet verleerd ben om vertrouwen te geven aan de mensen die ik bezoek in de rol van woonbegeleider komt even onverwacht als het gevoel dat ik het miste.
Kakdag
Poets mijn tanden met scheerschuim, laat mijn agenda in een café liggen en als ik terug ga is die weg, stoot mijn teen als ik in bed wil stappen, rij met de auto over mijn bril. Ja Lap!
Bevatten
Als het donker is en ik alleen in bed lig probeer ik me te herinneren hoe je stem klonk. Moeizaam haal ik dan je hese stem naar boven ergens vanuit de krochten van mijn hersens. Aan de kapstok hangt nog je jas. Die ruikt al lang niet meer naar jou. Je horloge ligt in mijn la. De laatse weken voor je dood lag het op je nachtkastje. Je pols was veel te dun geworden. Het staat stil. Je magere benen, je kritische blik, je handen op het stuur, je vingers die vaardig een sigaret rollen. Echt ik moet moeite doen om het voor me te zien.
En toch lieve Yvonne kan ik me een leven waar jij niet meer bent nog steeds niet voorstellen.
